Renaat Landuyt - Volksvertegenwoordiger - interpellaties en mondelinge vragen |
| Interpellaties & Mondelinge vragen |
|
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de huurwaarborg" (nr. 2132). |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over "de toestand in Vorst en de noodzakelijke dringende ondersteuning door de Regie der Gebouwen" (nr. P0243). Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vannacht hebben de cipiers spontaan het werk neergelegd na een eerste warme dag. Dat gebeurde eerder dan verwacht. Ze deden dat omwille van de omstandigheden in de gevangenis van Vorst. Een klassieke houding van een parlementslid in deze zou kunnen zijn hieromtrent de minister van Justitie te interpelleren. Die zou daarop dan antwoorden dat men het nodige zou doen en wellicht zou men een aantal mensen overplaatsen om de situatie een beetje te verlichten. Mijn vraag is echter bedoeld om de minister van Justitie in zijn eenzame strijd te ondersteunen. Wat doet de Regie der Gebouwen? Toen we veertien dagen geleden de gevangenis van Vorst bezochten, werden we attent gemaakt op een paar kleine materiële problemen die ervoor zorgen dat een paar cellen niet kunnen worden gebruikt. Men vraagt zich af waarom dit niet wordt opgelost. Blijkbaar voert men nu al meer dan een jaar een discussie over hoe men dit zal oplossen. Het is blijkbaar te moeilijk. Er is blijkbaar een mysterieuze reden waarom de Regie der Gebouwen dit niet eerst doet om een en ander op te lossen. Mijn vraag in deze is dus niet hoe het zit met het budget van de Regie inzake het grote Masterplan van de minister van Justitie, maar of u heel dringend kunt bijspringen door de Regie der Gebouwen te vragen de noodzakelijke werken in Vorst prioritair te laten uitvoeren. Minister Didier Reynders: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Landuyt, ik kan bevestigend antwoorden. Er is een heel goede samenwerking tussen Justitie en de Regie der Gebouwen geweest inzake het op 18 april in de Ministerraad goedgekeurde Masterplan. We willen overgaan tot de renovatie van de resterende vleugels A en B van Vorst. Om dat te doen, moet er echter eerst een buffercapaciteit zijn in een andere gevangenis. Die is gepland in Sint-Gillis. Wij kunnen van start gaan met de renovatiewerken in Vorst na een eerste nieuwe capaciteitsuitbreiding in Sint-Gillis. Ik kan u zeggen dat dit een prioriteit is. Het is voorzien in het Masterplan en aan de begroting wordt het nodige gedaan om dat plan te kunnen uitvoeren. Sint-Gillis zal een capaciteitsuitbreiding krijgen en daarna kan de renovatie van de twee vleugels in Vorst worden aangevat. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Mijnheer de minister, mijn excuses, maar ik wil even heel concreet worden. In de gevangenis van Vorst zijn er vandaag cellen niet in gebruik. De cellen naast de douches lekken. Mijn excuses omdat ik in detail moet gaan, maar men kan daar zo rijen cellen zien die men zou kunnen gebruiken in dien men als een goede huisvader gewoon een paar lekken zou dichten. Het gaat niet eens om het verplaatsen van mensen. Het gaat erom ruimte die aanwezig is weer bruikbaar maken. Dat kan naar mijn bescheiden mening op uw instructie – tenzij wij dat hier moeten bespreken – vanaf morgen gebeuren. Ik vraag u dus in de naam van de minister van Justitie hem een warme zomer te besparen en wat dat betreft de Regie der Gebouwen te vragen om er morgen gewoon aan te beginnen. Minister Didier Reynders: Mijnheer de voorzitter, ik ben met de minister van Justitie in Vorst geweest, enkele weken geleden. Het is niet alleen een probleem van de renovatie van een of twee cellen in dat deel van de gevangenis. Er is een probleem van infiltratie van water van het dak van de gevangenis. Wij moeten dus eerst en vooral een aantal herstellingen aan het dak doen en daarna bestaat de mogelijkheid om niet alleen voor die cellen maar ook voor de douches meer te doen. Ik herhaal, het is voorzien in het Masterplan. Wij moeten twee vleugels renoveren, nadat er een nieuwe buffercapaciteit gecreëerd is in Sint-Gillis. Wat de cellen naast de douches betreft, is er niet alleen het probleem van de renovatie van die cellen zelf, maar er is het probleem van infiltratie van water. Men moet het dak dus repareren. Dat zal ook gebeuren. Morgen is er natuurlijk geen nieuw dak voor een groot deel van de gevangenis. Het is niet mogelijk dat van de ene dag op de andere te doen. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Mijnheer de minister, die situatie is al meer dan een jaar gekend. Wat ik niet begrijp, is dat men er niet aan begint. U beschrijft wat wij kunnen zien. U beschrijft wat er is. Maar niemand doet iets. Ik vraag u alleen de minister van Justitie niet in de steek te laten, opdat hij niet een paar strafuitvoeringen moet inhouden of dat hij een paar mensen moet verschuiven. Doe een geste – dat zal het personeel graag zien – en stuur mensen om er morgen aan te beginnen. De analyse van het probleem is toch al lang gekend. Minister Didier Reynders: Er is een procedure om dat te doen. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het veiligheidsplan van de politiezone Brussel-Zuid" (nr. P0230). in opbouw |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over "de levering van treinstellen aan de NMBS" (nr. P0169). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, u moet mij excuseren maar ik ben van Brugge. Bombardier wordt in Brugge de Brugeoise genoemd, om maar te zeggen hoe nauw betrokken de regio zich met dit bedrijf voelt. Dat bedrijf is belangrijk, ook voor onze industrie, want die heeft zich de afgelopen tientallen jaar gemoderniseerd en ingeschakeld in de politiek van openbaar vervoer en heeft zich verankerd, ook internationaal, in het bedrijf Bombardier. Het dossier zelf is een zeer belangrijk dossier van een regionaal netwerk rond Brussel. Het is dus evident dat dit een supergevoelig dossier is, waarvan wij politiek moeten afblijven. In het raam van de openbare aanbestedingen moeten wij daarvan afblijven. Dat is moeilijk uit te leggen aan de betrokken werknemers. In de loop der tijden hebben zij daarmee leren leven, hebben zij zich daarvoor ingespannen en zijn zij efficiënter en efficiënter geworden. Wat is nu mijn zorg? Wat dinsdag is gebeurd, excuseer mij voor de juridische reflex, baart mij zorgen met betrekking tot de naleving van de regels inzake openbare aanbesteding, en wel op twee vlakken. Het is abnormaal dat de onderhandeling met een van de partners wordt bekendgemaakt in deze fase van de aanbesteding. Het was ook niet de bedoeling om dit bekend te maken. Ik merkte dinsdagmorgen dat de raad van bestuur van de NMBS geen commentaar wilde geven. Er was dus een lek. Ik was enkele uren later des te meer verrast dat u een bevestiging de wereld hebt ingestuurd dat daadwerkelijk een dergelijke beslissing werd genomen. Ik denk dat door uw bevestiging, in alle eerbied, een zeker risico is genomen inzake de gelijke behandeling van partijen. Er is echter nog iets anders dat meer en meer naar boven komt. Er zou een probleem met het aanbod van Bombardier zijn geweest, niet alleen inzake de hoogte van de prijs, maar ook inzake de hoogte van de kwaliteit. Dat baart mij nog meer zorgen in het raam van de gelijke behandeling van partijen. Er is meer en meer een vermoeden dat er inzake kwaliteitsvereisten andere contacten zijn geweest. Dat hebben wij nog meegemaakt in grote aanbestedingen, tot in Antwerpen, dat bepaalde partijen wisten wat de juiste vereisten waren. Ik vraag u dat te onderzoeken. Dat begint men als vervelend aan te voelen, ook bij de werknemers. Er was een gerucht dat sommigen beter waren geïnformeerd over de iets lagere kwaliteitsvereisten voor het product dat men moest aanbieden. U hebt als voogdijminister twee problemen die u zal moeten onderzoeken. Ik weet het, het is vervelend. In het ene probleem bent u een klein beetje betrokken. Ten eerste, heeft men niet te vlug bepaalde opties bekendgemaakt, in die zin dat men het juridisch vertaalt in het ongelijk behandelen van partijen? Ten tweede, bent u bereid om te onderzoeken of in de loop van het hele proces, tot nu toe, alle partijen gelijk werden behandeld, of wilt u niets doen? Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de voorzitter, collega’s, mevrouw de minister, ik heb inderdaad ook het bericht van de andere firma gelezen, met name dat zij aan de lokale tewerkstelling zal denken. Desalniettemin kunnen voornoemde woorden net zo goed worden geïnterpreteerd in het kader van een bezorgdheid om het goede verloop van het dossier in kwestie. Ik blijf het zorgwekkend vinden dat de betrokken firma niet eens officieel noch informeel over het verloop van de procedure werd verwittigd. Zij moest alles via de media vernemen. Pas nadien kon zij het nieuws bevestigd krijgen. Ik hoop voor u en voor de bestelling dat het voorgaande niet waar is. Alleen zal er meer nodig zijn om het gevoel van een ongelijke behandeling in het dossier weg te nemen. Het zal niet volstaan te verwijzen naar de geruststellende woorden van de tegenpartij waarover wij hier spreken en naar de geruststellende woorden van de juristen in uw dienst. Moties ingediend tot besluit van de interpellaties van: |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het vervolgingsbeleid voor geweld op het openbaar vervoer" (nr. 4854). Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dit vervolgverhaal, u weet dat u een brief hebt gekregen van Vlaams minister van Mobiliteit Kathleen Van Brempt, een van de weinige sp.aministers, die duidelijk minister wenst te blijven. Zij maakt zich zorgen over de veiligheid op de bussen. In de commissie van 22 april 2008 bevestigde u dat u wil ingaan op de vragen van mevrouw Van Brempt in verband met criminaliteit. Heeft dat onderhoud reeds plaatsgevonden? Ik kon haar dat persoonlijk hebben gevraagd, maar gisteren in de drukte van het partijbureau is die vraag mij ontgaan. Wat is het resultaat van het eventuele overleg dat u hebt gehad met Kathleen Van Brempt? Bent u bereid richtlijnen te geven aan de procureurs voor een specifiek vervolgingsbeleid met betrekking tot deze problematiek? Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, collega Landuyt, ik denk inderdaad dat u gisteren in de marge van het partijbureau een antwoord op deze vraag had kunnen krijgen. Het overleg zal plaatsvinden op woensdag 7 mei. Ik heb nooit gezegd dat ik zonder enig overleg bereid was om dit systeem in te voeren. Ik heb gezegd dat ik steeds bereid was om hierover overleg te plegen en na te gaan hoe Justitie behulpzaam kan zijn als er zich ernstige problemen voordoen die we allemaal moeten erkennen. U weet dat intussen een artikel 410bis van het Strafwetboek bestaat dat verzwarende omstandigheden invoert voor geweldplegingen ten aanzien van welbepaalde beroepsgroepen die in de uitoefening van hun bediening verplicht zijn contact te hebben met het grote publiek. Daaronder vallen uiteraard ook de buschauffeurs. Naar aanleiding van deze nieuwe strafbepaling werd door het College van procureurs-generaal een omzendbrief uitgevaardigd in 2008, teneinde de aandacht van de magistraten te vestigen op deze nieuwe verzwarende omstandigheden waarbij hen de instructie werd gegeven bijzondere aandacht te besteden aan dergelijke feiten van agressie. Ik verwijs u ook naar een aantal wettelijke bepalingen die in deze van belang kan zijn, namelijk artikel 15 van de wet van 15 april 1843 op de spoorwegpolitie. Dat artikel werd herzien door de wet van juli 1891. En de wet van 9 juli 2004 dat voorziet dat de rechter, wanneer een veroordeling wordt uitgesproken over feiten van geweld of bedreiging gepleegd in een treinstation of aanhorigheden deze een toegangsverbod kan opleggen voor een periode van maximum 15 dagen tot het geheel of het gedeelte van de exploitaties van de spoorwegonderneming. Deze bepaling geldt alleen voor de spoorwegen en niet voor de bussen en de trams. Indien een geweldpleger zich in voorlopige hechtenis bevindt, is het mogelijk dit kader vrij onder voorwaarden op te leggen. Ook dat systeem is u bekend. De wet geeft geen opsomming van mogelijke voorwaarden die kunnen worden opgelegd. In dit kader zou dus een busverbod kunnen worden opgelegd. De mogelijkheid tot toepassing van de wet van 29 juli 1964 betreffende de opschorting, uitstel en probatie, ook deze wet geeft geen exhaustieve opsomming van mogelijke voorwaarden die in het kader van een probatiemaatregel kunnen worden opgelegd. De jeugdrechter zou op basis van artikel 37, §2bis van de jeugdbeschermingswet een busverbod kunnen opleggen. Het betreft dan geen straf, maar een voorwaarde. De jongere kan onder bepaalde voorwaarden thuis blijven wonen, eventueel onder toezicht van een sociale dienst (artikel 37, §2, 2° van de jeugdbeschermingswet). Er zijn dus tal van momenten/mogelijkheden waarbij dat eventueel zou kunnen in overweging worden genomen door de bevoegde rechter, en zelfs door het openbaar ministerie in het kader van de praetoriaanse probatie. Voor het verbod tot toegang tot het openbaar vervoer moet de belangrijke vraag worden gesteld of een efficiënte mogelijkheid bestaat om de naleving van dat verbod te controleren. Indien het als voorwaarde wordt opgelegd is het maatregel waarvan de controle op de naleving van de maatregel niet kan gebeuren door justitieassistenten. Zoals de meeste verbodsbepalingen moeten die worden gecontroleerd door de politiediensten (artikel 20 van de wet op het politieambt). Bij de praktische haalbaarheid van een effectieve controle van het verbod van toegang tot het openbaar vervoer kunnen dus ernstige ragen worden gesteld. Dat heb ik trouwens onmiddellijk gesignaleerd. Het is dan ook belangrijk dat ik kan overleggen met mijn collega Van Brempt om te weten welke inspanningen De Lijn daaromtrent wil organiseren. De vraag is of dat kan worden toegekend aan de lijnwachters op de bussen. Om te controleren moet er wellicht een identiteitscontrole gebeuren. Het moet worden overwogen of deze politionele bevoegdheid wel aan hen kan worden toegekend? Louter illustratief verwijs ik u nog naar de wet van 15 mei 2007 tot instelling van de functie van de gemeenschapswachten en tot wijziging van artikel 119 bis van de Nieuwe Gemeentewet die tot doel had de wildgroei van de lokale preventietoezichters en de diversiteit van de hen toebedeelde taken te stroomlijnen om hen duidelijk te kunnen onderscheiden van de politiediensten. Bij de uitoefening van de hen toebedeelde taken kunnen de gemeenschapswachten-vaststellers of vaststellende gemeenschapswachten – dat is dus een beperkt deel van de gemeenschapswachten – overgaan tot de identiteitscontrole. Maar vermits zij geen politiebevoegdheid hebben, kunnen zij enkel een identiteitsbewijs opvragen maar niet opeisen en dit omwille van de bezorgdheid om politioneel die taken te beperken tot politieambtenaren. Een andere mogelijkheid betreft de veiligheidsagenten van De Lijn of de MIVB, beide maatschappijen hebben een aanvraag voor bewakingsonderneming ingediend bij Binnenlandse Zaken en zouden dit statuut in de toekomst dus kunnen verkrijgen. De TEC heeft dit niet gedaan. De wet van 10 april 1990 werd dan ook een apart hoofdstuk ingevoegd – hoofdstuk 3 bis, bijzondere uitoefeningsvoorwaarden voor de organisatie van veiligheidsdiensten binnen een openbare vervoersmaatschappij. Deze personen kunnen onder andere personen de toegang ontzeggen indien zij geen geldig vervoerbewijs hebben. Zij kunnen vragen om een identiteitsbewijs voor te leggen en personen vatten. Naast deze agenten bestaan er ook nog de zogenaamde controleurs. Hun bevoegdheden worden in specifieke wetgeving regionaal vastgesteld en kunnen binnen dit tijdsbestek niet allemaal worden onderzocht. Zij hebben meestal wel een of andere bevoegdheid inzake de controle van identiteit, maar dat moet dan per reglement worden bekeken. Er zijn aanknopingspunten. Er zijn ook veel vragen omtrent de haalbaarheid ervan. Zoals gezegd, zullen we met open vizier met collega Van Brempt overleggen. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord dat niet onbelangrijk is omdat ermee duidelijk gemaakt wordt vanuit het Parlement dat er geen wettelijk probleem is. Het is wettelijk mogelijk op basis van de wetteksten. Dat heb ik alvast begrepen. Ik heb ook begrepen dat er een probleem is van controle. Dat dit het grootste obstakel is: hoe controleer je bussen? We hebben ooit acties ondernomen om hooligans uit voetbalstadia te krijgen. Dat was een gecoördineerde actie, in die zin dat de procureurs richtlijnen gaven (…). Ik vond het een zeer efficiënte manier van optreden die er eigenlijk toe heeft geleid dat het fenomeen voortdurend sterk is gedaald (…) Ik herhaal dus dat het belangrijk is, niet om de wet te wijzigen maar om duidelijke richtlijnen te geven aan de procureurs maar met alle begrip voor het controleprobleem dat wellicht het grootste besprekingspunt zal zijn met de Vlaamse minister van Vervoer en Mobiliteit. Wie mag wat controleren? Op welke manier zal men komen tot een zekere lijst van niet-toegelaten personen op de bus? Wie mag de identiteit controleren? Wat zijn de signalen dat men (…) Ik denk dat wij in ieder geval een paar stappen vooruit hebben gezet. Over de wettelijke mogelijkheid moet men niet twijfelen. Dat is het punt niet. Wij zitten in een fase van technisch overleg over de manier dat het moet worden aangepakt. Minister Jo Vandeurzen: Ik zou niet graag hebben dat er al een intentieproces wordt gemaakt. Ik geef aan wat de mogelijke situaties zijn in de huidige wetgeving. Het is heel duidelijk dat het overleg nog moet worden gevoerd. Sommige zaken zijn in handen van de rechter, andere moeten door mensen van De Lijn zelf worden vastgesteld. Ik zeg nu niet dat wij dit zonder enige wettelijke regeling kunnen invoeren; ik zeg alleen dat het verdient om hierover een open overleg te hebben. Het is evident dat zulks ook zou betekenen dat er ook door De Lijn aanzienlijke inspanningen zullen moeten worden geleverd, indien zij dat zelf wil. Dat is op dit moment duidelijk. Alles is mogelijk en duidelijk. Allerlei voorwaarden kunnen door de huidige wet worden opgelegd. Het enige wat ik vraag, is een gesprek. Ik heb dat ook onmiddellijk gezegd. Doch, de indruk wekken dat de zaak op een drafje kan worden geregeld, is te optimistisch uitgedrukt. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): (…). |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het Masterplan 2008-2012 voor de gevangenissen" (nr. 4779). Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, collega’s, ik zal een synthese proberen te maken van een aantal antwoorden. Wat het elektronisch toezicht betreft, zal ik afzonderlijk antwoorden, want dat is een vraag die een andere dimensie heeft. Ik kom nu tot de meer algemene antwoorden. Ik heb in mijn inleiding gezegd dat dit een principiële optie is van de federale regering, een plan dat aangeeft wat wij zullen doen om een antwoord te bieden op het probleem van de overbevolking van de gevangenissen. Degenen die concrete vragen hebben gesteld over de timing, de boordtabellen of zaken die het gevolg zullen zijn van de principiële beslissing, zullen die antwoorden ook kunnen krijgen in de loop van de volgende weken en maanden. Wat de chronologie van de zaken betreft, meen ik dat het nodig was om zeer snel na de installatie van de regering en de goedkeuring van het regeerakkoord – u mag daarover anders denken, maar ik meen dat het relatief snel is – de zaken in orde brengen en de doelstellingen aan te geven, alsook het soort plaatsen waarover wij spreken, voor de geïnterneerden, de jeugddetentiecentra en de gevangenissen, en de tijdtabel waarin wij de realisatie zien. Ik ben het er absoluut mee eens dat hieruit nu een aantal operationele beslissingen, instrumenten voor opvolging enzovoort, moeten worden afgeleid . Dat is evident. Met alle respect, ik heb in de commissie wekelijks vragen moeten beantwoorden over plannen en geruchten. Welnu, de regering heeft nu een beslissing daarover genomen. Misschien zeg ik het nu polemisch, maar enerzijds zegt men dat het niet snel genoeg gaat, en anderzijds klaagt men aan dat we de iming niet halen (…) (Het geluid van een GSM weerklinkt) (…) kwetsbaar maken, omdat wij de tijdsdimensie moeten invoegen. Wij zullen de bouwfase zo kort mogelijk proberen te houden. Wij zullen proberen gebruik te maken van de PPS-formules, die toelaten snel te werken. Omdat wij weten dat bijvoorbeeld het verkrijgen van vergunningen op sommige plaatsen zijn tijd zou kunnen vragen, kiezen wij ervoor om in de korte aanloop een aantal gevangenisplaatsen te realiseren in en op bestaande sites via herstellen van bestaande cellen en het opnieuw in gebruik nemen van voorheen verloren capaciteit. Op die manier kunnen wij een aantal problemen inzake vergunningen vermijden. Dat is ook de reden waarom het plan op die manier is gefaseerd. Het is evident dat het plan gepaard gaat met flankerende initiatieven, zoals alternatieven voor de gevangenisstraf. De problematiek van het elektronisch toezicht is ons hier allemaal genoegzaam bekend. Ook op dat vlak zullen wij dus stappen moeten zetten, samen met andere alternatieven als die kunnen worden ontwikkeld. Er was de vraag of er niet eerst moet worden gescreend. Neen, wij zullen niet eerst screenen. Wij zullen eerst beslissingen nemen, want als wij die beslissingen nu niet nemen, dan zijn wij over enkele jaren nog niet bezig met de effectieve implementatie. Natuurlijk zal er een moment komen – ik neem het voorbeeld van de internering – dat er systematisch moet worden nagekeken wie in de gevangenis zit en of het een highrisk- of mediumriskpatiënt is, met de vraag waar hij terecht kan in de ambulante sector of de gesloten instellingen. Wij zullen dat uiteraard doen. Ik heb alle respect voor de geuite bezorgdheden, zoals die in verband met de screening of die in verband met de voorlopige hechtenis, namelijk of de voorlopige hechtenis niet tot minder gevangenen in vrijheidsberoving kan leiden, of nog de opmerking als zou het geen oplossing zijn voor het fundamentele probleem en dat de problemen dieper in de samenleving te vinden zijn. Ik ben het eens met vele van die opmerkingen. Maar wij moesten nu eenmaal een einde maken aan de standstill in het dossier. Er moest een optie worden genomen en er moest een aantal worden bepaald. Dat aantal bedraagt 2.500. Daarnaast moest er ook een tijdsschema komen om iedereen met de neuzen in dezelfde richting aan het werk te zetten. Dat is voor mij belangrijk. Het is echter geen hoeraverhaal, waarmee het probleem nu opgelost is. Wij beseffen zeer goed dat implementatie de cruciale factor is. Wat zullen wij op het terrein effectief kunnen doen? Wij weten dat besluitvorming soms complex kan zijn en ook de budgettaire context is bekend. Men moet op een bepaald moment echter starten met een optie die wij gezamenlijk kunnen nemen met de Regie der Gebouwen en de regering. Iedereen is op dat moment gelegitimeerd om zeer concreet, stap voor stap, te proberen dat plan op een goede manier uit te voeren. Om die reden was die beslissing belangrijk. Die beslissing moest zich enten op wat in de voorbije jaren was gebeurd en zich projecteren op wat wij in de toekomst aan behoeften of mogelijkheden voor ons zien. Minister Jo Vandeurzen: Op een bepaald moment zullen we, in overleg met de minister van Volksgezondheid, screenen om te weten wie er naar de internering moet en wie niet. Dat zal allemaal moeten gebeuren, maar ik ben het niet eens met de redenering dat men dat eerst moet doen en daarna moet concluderen welke capaciteit men nodig heeft. Wij zetten een streep onder dat debat. Het plan is getoetst aan een aantal parameters. U verwijst graag naar benchmarks. Ik ben daar ook een groot voorstander van. Wij hebben een aantal van die benchmarks genomen en we hebben ook gekeken wat in ons land financieel en technisch haalbaar kan zijn. Ik geef u een voorbeeld. We zouden natuurlijk kunnen beslissen om morgen een tent of een prefab op te richten, maar u moet zich de situatie goed voorstellen. Wij zitten in een huis dat serieuze herstellingswerken behoeft. We moeten eigenlijk zeggen dat huisvesting niet houdbaar is. We hebben ook geen massa’s geld. Zullen we dan beslissen om het probleem eerst nog een jaar tijdelijk te parkeren, terwijl het al twintig jaar aansleept, en daarvoor ons geld gebruiken, waardoor we een nieuw budgettair probleem creëren om een duurzame oplossing te vinden? Wij hebben een keuze gemaakt. Wij zullen op de sites snel bepaalde capaciteit recupereren, we zullen proberen een of twee gevangenissen in capaciteit te realiseren en we zullen duurzaam proberen te werken, omdat we met een probleem zitten dat voor jaren zou moeten kunnen worden aangepakt. Neem echt van mij aan dat wij met een zeer open geest hebben gekeken naar al wat mogelijk is qua techniek. We zullen een beroep doen op de privésector om projecten te realiseren, waarbij we formules zullen zoeken waarbij we de projecten bijna via een sleutel-op-de-deurprocedure laten bouwen om ze daarna in gebruik kunnen nemen. Wij zijn er dus geen voorstander van – daarover zijn ook vragen gesteld – om de exploitatie van de gevangenissen in privéhanden te geven. Wij vinden dat zoiets voor de bouw kan en voor eenaantal onderhoudscontracten van specifieke installaties, maar voor de rest lijkt het mij niet verstandig om nu te spreken van een totale exploitatie van de gevangenissen door de privésector. Dat is op dit ogenblik geen goede optie. Wij hebben al die zaken goed bekeken en we zullen punctueel, voor een pakket projecten, privaatpublieke samenwerkingsmodellen moeten ontwikkelen. Daarvoor kunnen we gelukkig een beroep doen op heel veel knowhow en ervaring in het buitenland, die trouwens ook bij u aanwezig is. Degenen die in de sector actief zijn, hebben ons zeer goed geïnformeerd over de mogelijkheden. Een tweede voorbeeld zijn de boten. In Nederland heeft men die boten voor de opvang van illegalen aangewend. Dat is een heel sober regime dat tot zes maanden beperkt is. Dat is voor ons geen oplossing voor de problemen die in onze gevangenissen rijzen. Dat vereist kades, de inname van kades, de aanleg van recreatiemogelijkheden en scherpe veiligheidsmaatregelen aan de kade. Dat is een hele investering. Er zijn ook veiligheidsrisico’s aan verbonden. Er zijn al branden op de boten geweest. Er zouden dan evacuaties moeten gebeuren. U weet ook dat er al een Europese controle door de Raad van Europa is geweest die deze oplossingen zelfs nadrukkelijk heeft afgewezen. De kostprijs kan dit verhaal definitief beslechten. Volgens onze gegevens kost een Belgische gevangene inderdaad, dan kom ik tot de vragen van de heer Landuyt, ongeveer 100 euro per dag. Op een boot zou dat 125 tot 165 euro per dag zijn. Wij hebben deze elementen dus ernstig onderzocht. Gegeven wat ons te wachten staat, gegeven de capaciteit die wij moeten bouwen en gegeven ook de ongetwijfeld moeilijke budgettaire toestand waarin wij dat tot een prioriteit zullen moeten maken in de financiering en het meerjarenplan, hebben wij voor deze formule gekozen, namelijk zoveel mogelijk capaciteit recupereren en het bijbouwen op sites waar dat kan. Op sommige sites gaan wij dat niet doen, omdat wij het wezen van die gevangenis niet kapot willen maken. In Hasselt is er ook een plein binnen de muren van de gevangenis waarop men nog iets kan zetten als wij dat op zijn Belgisch willen doen. Wij moeten echter respect hebben voor het feit dat ruimte voor recreatie en wandeling in een gevangenis ook aanwezig moeten zijn. Wat wij op sommige sites bijplannen, doen wij zonder het leven in de gevangenis fundamenteel te verstoren of het leven er helemaal onmogelijk te maken. Nogmaals, ik ga het niet blijven herhalen, ik ben het eens met alle beschouwingen over investeringen, preventie enzovoort. Ik zeg alleen dat er een groot probleem is met de strafuitvoering in ons land. Dat is door de jaren heen gegroeid. Daarvoor moeten wij een oplossing vinden. Die gaan wij niet van vandaag op morgen vinden. Dat vraagt een plan. Vandaar de opties die zijn genomen. Ik maak mij, voor alle duidelijkheid, geen illusies. Volgende week gebeurt er iets in de gevangenissen, de week daarna zal er iets gebeuren in de gevangenissen, op elk moment kunnen zich problemen voordoen. U zult mij elke week kunnen ondervragen of ik al een halve millimeter verder ben met mijn plan, maar het zal tijd vragen, planmatig moeten worden aangepakt en niet kunnen worden bepaald door het ritme van de politieke emotie van de dag, het incident enzovoort. Het is nu uitvoeren, gefaseerd, planmatig, projectmatig: dat zal moeten gebeuren. Ik ben graag bereid om voor die aanpak tijd te maken in de commissie, maar ik maak me geen illusies: denken dat met dit plan morgen het probleem van de gevangenissen al is opgelost, neen. Ik zeg u in alle eerlijkheid dat dit is wat voorligt en daarmee was het tijdsperspectief daarbij zo belangrijk. Ik kan alleen maar zeggen dat 2.500 capaciteitseenheden bouwen in de periode die we voorstellen al een megaopdracht is. Zoals collega Landuyt terecht heeft gezegd, daar mag ook geen misverstand over bestaan: het gaat niet alleen over de vraag of we die kunnen bouwen, ook de exploitatie van die gevangenissen is voor het budget van de federale Staat veel belangrijker dan wat het bouwen van die gevangenissen kost. Dat zal inderdaad mee moeten gepakt worden in de discussie over het meerjarenplan. Dat zal ook moeten meegenomen worden in verschuivingen tussen budgetten van de federale Staat. U heeft de voorstellen van collega De Crem van Defensie gehoord: kunnen wij een aantal mensen op een andere manier opnieuw bij de overheid zinvolle tewerkstelling aanbieden die een win-winsituatie zou kunnen zijn? Allerlei beschouwingen, maar dit zal inderdaad een belangrijk deel van het verhaal moeten worden. Door dit plan te laten goedkeuren door de regering heeft Justitie gezegd: collega’s, meerderheid, samenleving, wij moeten op een bepaald ogenblik die keuze durven maken om voor dat probleem dat een chronisch probleem is in ons land, van kwaliteit van onze infrastructuur en capaciteit die wij moeten hebben, een kering te maken. U zult dat opvolgen. Ik heb mij daarin, overigens zeer bewust, op de positie gesteld dat ik daar absoluut het engagement voor wil nemen om te zien of we dat deze legislatuur inderdaad kunnen doen. Dat is geen kwestie van paniekvoetbal of wat ook, maar het is op een bepaald moment zeggen wat het plan is en wat de opties zijn, zonder elke keer na een incident in de commissie te moeten verschijnen om nog eens te zeggen dat we gaan zien wat we gaan zien. Op een bepaald moment moet men durven zeggen dat men iets op een planmatige en geconcerteerde manier zal aanpakken. Opnieuw is juist wat sommigen hebben opgemerkt, met name dat het ook zal afhangen van de medewerking en de bijdrage die, bijvoorbeeld, ook de Regie der Gebouwen moet leveren. Zij zijn in dezen uiteraard cruciaal, omdat zij minstens met de opvolging van een aantal projecten zijn belast. Zij zullen ook, neem ik aan, hun partners in de privésector zoeken om een en ander ook uit te voeren. De heer Schoofs heeft gesproken, als ik het goed heb begrepen, over het gebrek aan visie op de problematiek van de interneringen. Ik moet u eerlijk zeggen dat er kritiek bij is die ik begrijp en waar ik een antwoord op heb, maar dat is een kritiek die ik niet begrijp. In de beleidsnota hebt u gezien hoe wij in samenwerking met mevrouw Onkelinx inzake de psychiatrie de keuze hebben gemaakt dat de aanpak van de internering eerst en vooral een kwestie is van psychiatrische zorg die dan versterkt en beveiligd wordt vanuit Justitie. De omkadering door Justitie betreft de randvoorwaarden inzake beveiliging, enzovoort. Dat is, meen ik, toch een zeer fundamentele keuze die wij maken. U hebt in mijn beleidsnota kunnen lezen dat wij met mevrouw Onkelinx overleggen om voor bepaalde types psychiatrische patiënten bezig zijn bedden te creëren, enzovoort. Daardoor, meen ik, hebben wij een kans – dat is trouwens gebaseerd op de wet van de internering zoals die nu tot stand gekomen is – om een ernstige structurele oplossing te bieden, die het resultaat is van jaren van overleg en debat. Het is dus helemaal niet mijn verdienste, absoluut niet, maar ik hoop dat wij in de loop van de legislatuur die combinatie van Volksgezondheid en Justitie op een goede manier kunnen maken. Ik kom tot de vragen, die bijvoorbeeld door mevrouw Nyssens gesteld zijn, over werkgelegenheid in de gevangenissen of zinvolle tijdsbesteding in de gevangenissen. Een gevangenisstraf is natuurlijk een vrijheidsberoving. Dat is heel duidelijk. Het is een straf. Daar zijn wij het allemaal over eens. Maar in ons gevangenisbeleid, en in de visie die in ons land ter zake is ontwikkeld, kunnen wij terugkijken op een heel belangrijke traditie. Ons land is ooit koploper geweest – kijk maar naar de modellen van de gevangenissen – in het gevangenisbeleid en in de visie op het gevangeniswezen. Natuurlijk moet de gevangenisstraf ook het perspectief inhouden: wat gebeurt er bij de terugkeer naar de samenleving. Een gevangene die tot de laatste dag van zijn straf in een cel zit en die twee wandelingen per dag mag maken en zich voor de rest in zijn gesloten cel ophoudt, is een levende tijdbom wanneer die uit de gevangenis komt. Wij, als samenleving, hebben er alle belang bij dat in de gevangenis ook de voorbereiding van de terugkeer in de samenleving wordt georganiseerd. Dat betekent: opleiding geven, als het mogelijk is. Dat betekent: ontwenning van een drugsverslaafde, als het mogelijk is. Dat betekent: iemand een job proberen aan te leren, als het mogelijk is. Wie zegt dat dit niet moet, of wie zegt dat de gevangenis een half hotel wordt voor de gevangenen, moet er eens gaan zitten. Ik zeg: neem dan zelf de verantwoordelijkheid voor iemand die tot de laatste dag tussen vier muren heeft gezeten en die geen enkel contact heeft gehad met de buitenwereld tot hij weer in de samenleving wordt gezet. Neem dan de verantwoordelijkheid voor de eerste die hij tegenkomt wanneer dat gebeurt. Dat kan niet! Er zijn mensen aan het woord geweest om te zeggen dat er zinvolle tijdsbesteding, werk en opleiding moet zijn. Ja! Maar nu kom ik tot het tweede en belangrijkste element van mijn antwoord. Dat betekent evenwel ook samenwerking met Gewesten en Gemeenschappen, met het welzijnswerk, met de VDAB in Vlaanderen en noem maar op. Ik ga niet voor een verhaal alsof Justitie stand alone, met oogkleppen, de oplossing voor de problemen in de samenleving kan organiseren. Dat is zeer belangrijk en daar blij ik op hameren. Wij kunnen ons alleen maar inschakelen en vaak zijn wij het laatste stukje van de ketting. Als alles is misgelopen, dan komt het debacle, de criminaliteit, het delict en de reactie van Justitie. Wij kunnen ons alleen maar inschakelen in een gemeenschappelijke aanpak. Dat geldt ook voor de vragen die over de jeugddelinquentie zullen gesteld worden en voor alle andere discussies, onder andere intrafamiliaal geweld. Wij hebben al dikwijls het signaal gegeven dat wij wat wij moeten doen, goed willen doen. Wij kunnen echt nog wel beter. Wij weten echter dat wij ook moeten kunnen rekenen op anderen en dat die anderen ook op ons moeten kunnen rekenen. Dat verhaal vraagt ook een appel op andere instanties in ons land. Toen ik gisteren mevrouw Fonck hoorde vertellen hoe zij investeert in bijzondere jeugdzorg en in versterking van de hulpverlening aan jongeren, enzovoort, dan is dat een even wezenlijk onderdeel van het verhaal hoe wij gaan proberen een antwoord te bieden op de problematiek van de jeugdcriminaliteit. Dat vind ik een even pertinent deel van het verhaal. Ze heeft daar terecht de nadruk op gelegd. Wij moeten proberen al die stukjes en de inspanningen van de overheid in een goede keten te brengen. Vandaar ook dit stuk. Ik denk immers dat het niet mogelijk is een appel te doen op anderen als wij ons deel niet op een correcte manier doen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de positie van de groenen in dit dossier niet altijd duidelijk begrijp. Het is natuurlijk dansen op een slappe koord; dat begrijp ik wel. Aan de ene kant zijn ze tegen de uitbreiding van de celcapaciteit en aan de andere kant moet men zeker iets doen. Nogmaals, ik weiger om een eenzijdig verhaal te brengen. De ambitie om 2.500 cellen aan capaciteit, gedifferentieerd over internering, jongeren enzovoort, te realiseren is een keuze omdat ik nu eenmaal denk dat we zonder dat op het probleem van de geloofwaardigheid van de strafuitvoering in menswaardige omstandigheden en met goede werkomstandigheden voor het personeel, geen antwoord kunnen bieden. Ik ben het met veel beschouwingen eens, dat herhaal ik, maar ik vind dat men ook b moet zeggen. B is nu een optie en men zal tijd nodig hebben om die te verwezenlijken. Ik vind echter dat we op dat vlak wel duidelijk moeten zijn. Ik vond het belangrijk dat men dat ook op het vlak van de regering eens heel formeel stelde. Ook wat betreft de problematiek van de vreemdelingen in onze gevangenissen verwijs ik opnieuw naar mijn beleidsnota. Ik ben het eens met diegenen die zeggen dat we methoden moeten zoeken om na te gaan of de mensen die hier een gevangenisstraf uitzitten en geen Belgische nationaliteit hebben, hun straf in het land van herkomst kunnen uitzitten. De vorige regering heeft initiatieven genomen op dat vlak. Ik constateer dat op dit moment daarvan nog niet veel is gerealiseerd. Het bevindt zich allemaal nog in de fase van opbouw. Ook mijn kabinet en de administratie zoeken echter nieuwe partners en landen waarmee wij kunnen onderhandelen. Er is nu een vraag uit een land in Zuid-Amerika en er zijn onderhandelingen met Congo. Wij onderhandelen dus met een aantal landen. Men vergeet echter altijd dat dat onderhandelingen zijn die een wederzijdse verplichting inhouden. Dat betekent dat Belgen die daar in de gevangenis zitten, ook naar hier kunnen terugkomen om hier hun gevangenisstraf uit te zitten, en vice versa. Wij doen dus inspanningen. Ik heb ook in de commissie gezegd dat de strategie waarin België op zijn eentje dat soort contacten legt één methode is. Soms is het verstandiger bondgenoten te zoeken die dezelfde problemen hebben om op het diplomatieke front een betere onderhandelingspositie te hebben. Het zal u niet onbekend zijn dat meerdere West-Europese landen met dezelfde thema’s worstelen en naar mogelijkheden zoeken om op dat vlak meer acties te ondernemen. Ik wil het nog even hebben over de verwijzingen naar Nederland. Wij zijn natuurlijk ook geïnteresseerd in de manier waarop de Nederlanders de problematiek hebben aangepakt. Het is trouwens een probleem dat in veel West-Europese landen rijst. In veel West-Europese landen is men naar een hogere versnelling gegaan met betrekking tot de gevangenisproblematiek, omdat men, al was het maar onder de druk van de publieke opinie, weet dat men initiatieven moet nemen. Dat is ook zo in Nederland geweest. U zegt dat men het daar oplost door in een kleine cel meer volk te steken. Het spijt mij verschrikkelijk, maar ik heb de staatssecretaris persoonlijk gesproken bij een bezoek aan de gevangenis van Hasselt, voor haar een modelgevangenis. Natuurlijk is het niet dat wat zij doen. Zij denken dat het soms beter is om gevangenen niet in een cel te isoleren. Zij hebben cellen waarin er infrastructuur is voor meer gevangenen. Dan zoeken zij naar personen die op een of andere manier samen in die cel kunnen verblijven. Dat doen wij trouwens op een aantal plaatsen in België ook. Het is dus niet zo dat zij, waar er een capaciteit van 300 is, er 600 gedetineerden in opsluiten. Dat is niet de filosofie die zij hebben benut. In alle eerlijkheid, als het gaat over psychosociale hulp en re-integratieinspanningen, moeten wij niet blozen voor de Nederlanders op een aantal van die terreinen. Natuurlijk hebben zij nu een aantal zaken waarvan wij kunnen leren, zoals de capaciteit en de visie op bepaalde vormen van infrastructuur. Op dat vlak hebben wij soms mooie troeven en kunnen wij soms veel leren. Het is echter niet zo dat zij ineens bestaande cellen voor één persoon bevolken met meer gevangenen om daarmee een deel van de capaciteitsproblemen op te lossen. Dat is niet de manier waarop zij dat hebben gedaan. De heer Baret kan misschien nog op vragen omtrent een aantal technische of praktische zaken antwoorden. Gelieve mij te verontschuldigen mocht ik hier of daar iets hebben overgeslagen. De richtlijnen waarnaar u hebt verwezen, hebben betrekking op de uitvoering van het toepassingsgebied waarin het elektronisch toezicht kan worden aangewend als vervanging van de vrijheidsberovende straf. Het gaat daarbij niet alleen over de richtlijn van 11 december 2007, maar ook over een circulaire van 10 juli 2006 van mevrouw Onkelinx. Tot 1 september 2007 opereerde het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht onder het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en werd het georganiseerd als een virtuele gevangenis met aan het hoofd van het centrum een gevangenisdirecteur. In het verlengde van de inwerkingtreding van de wet op de externe rechtspositie waarin de beslissingen over ET worden toevertrouwd aan de strafuitvoeringsrechtbank, dat is een wijziging in de situatie, werd door de voormalige minister beslist om de uitvoering en de opvolging van het elektronisch toezicht over te dragen aan het directoraat-generaal Justitiehuizen. Het NCET werd zodoende bij deze entiteit ondergebracht. Deze hervorming ging gepaard met een herdefiniëring van het elektronisch toezicht, de wijze van controle en van begeleiding. Tot op heden moet er voor de toepassing van het elektronisch toezicht een onderscheid worden gemaakt al naargelang het gaat over de veroordeling tot een gevangenisstraf van meer dan drie jaar dan wel van drie jaar of minder. Voor de gestraften boven drie jaar wordt de beslissing tot het elektronisch toezicht genomen door de strafuitvoeringsrechtbank. Voor de veroordeelden tot drie jaar en minder blijft de beslissing voorlopig voorbehouden aan de directeur van de strafinrichting waar de gedetineerde zich bevindt of zich aanbiedt voor strafuitvoering. De beslissing van mevrouw Onkelinx in juli 2006 om het aantal toepassingen van elektronisch toezicht kwantitatief op te voeren, ging gepaard met een versoepeling van de selectiecriteria en de afschaffing in een aantal gevallen van de voorafgaande enquête alsook met het terugschroeven van bepaalde vormen van begeleiding. Na de inwerkingtreding van de wet op de externe rechtspositie op 1 februari 2007 en de daaruit volgende bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank voor de straffen van meer dan drie jaar, werden door de bevoegde administratie Penitentiaire Inrichtingen en Justitiehuizen dienstorders verspreid die een aantal regelingen betroffen betreffende de overdracht van het NCET per 1 september 2007 naar de justitiehuizen. De praktijk vandaag is de volgende. Een aantal maanden van toepassing volgens het nieuwe organisatiepatroon en de vigerende regelgeving toont aan dat de werking van het elektronisch toezicht als alternatief model voor de uitvoering van de gevangenisstraf niet meer hetzelfde resultaat vertoont als voorheen het geval was en dat het systeem eigenlijk aan efficiëntie heeft ingeboet. Naast de moeilijkheden die ontstonden als gevolg van de gewijzigde selectiecriteria, bijvoorbeeld het facultatief maken van het voorafgaandelijke huisbezoek, het wegvallen van de vereiste van een akkoord vanwege de meerderjarige huisgenoot en eventueel een overeenkomst over het verminderd aanbod van begeleiding, zorgen vooral de volgende elementen voor onoverkomelijke problemen. Ten eerste, de moeilijkere coördinatie van de in- en uitstroom voor het elektronisch toezicht. Ten tweede, bepaalde divergenties in de beleidslijnen tussen het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en het directoraat-generaal Justitiehuizen. De beperking van de rol van het NCET inzake monitoring en het wegvallen van de coördinatieopdracht. Het wegvallen van de mogelijkheid voor het NCET van interventie in geval van niet-naleving van het uurrooster. Het wegvallen van een rechtstreekse interventiemogelijkheid van het NCET ten aanzien van de politiediensten ter uitvoering van de beslissing tot herroeping van de maatregel. Het feit dat er in vele gevallen een soort straffeloosheid ontstaat, hetzij door het ontbreken van de interventiemogelijkheid, hetzij als effect van de wachttijden die ontstaan voor de veroordeelden tot drie jaar en minder. Zoals ik heb voorgesteld in mijn beleidsplan, wil ik daarop ingrijpen. Het elektronisch toezicht moet opnieuw een krachtdadig, efficiënt en succesvol alternatief worden ter uitvoering van de vrijheidsberovende straf. Wij moeten de toepassing van het elektronisch toezicht zonder risico’s kunnen uitbreiden. Ik signaleer het u toch even voor alle zekerheid, sedert januari 2008 is het aantal ET’ers gestaag toegenomen, van 560 tot 700 vandaag. Men kan dus niet zeggen dat wij nog geen inspanningen hebben gedaan. Om tot een efficiënt elektronisch toezicht te komen, zijn er een aantal initiatieven op wetgevend vlak noodzakelijk, onder meer om de controle en de sanctie terug mogelijk te maken. U hebt dat trouwens hier al besproken, tijdens de bespreking van het wetsontwerp diverse bepalingen. Wij hebben het onmiddellijk daarin gebracht. Ook het KB van 29 januari 2007 zal worden aangepast. De intrekking van de omzendbrief zonder meer heeft volgens mij geen zin. Ik kom niet terug op de hervormingen van het elektronisch toezicht en het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht waartoe is beslist, maar ik zal uiteraard wel de bestaande omzendbrief en de instructies bijsturen. Vóór de zomer van 2008 wens ik rond te zijn met de regelgeving. Een krachtdadig en effectief elektronisch toezicht vereist een degelijke samenwerking tussen de beide administraties, Penitentiaire Inrichtingen en Justitiehuizen, binnen het departement. Dat zal het voorwerp uitmaken van een samenwerkingsprotocol, waarin dit wordt gepreciseerd. Wat mij betreft, moet ook dit afgewerkt zijn vóór de zomer. Van de 681 veroordeelden – ik overloop uw vragen – die vandaag opgesloten zijn voor straffen van drie jaar of minder, zijn er 386 uitgesloten van de mogelijkheid om onder strafonderbreking geplaatst te worden. Het gaat hier over seksuele delinquenten en veroordeelden zonder recht op verblijf. Zij blijven dus onder het regime van de gevangenisstraf. Minimaal gaat het over vervangende gevangenisstraffen voor werkstraffen die van zeven dagen kunnen duren en, voor effectieven gevangenisstraffen, kunnen oplopen tot één jaar, tenzij er nog nieuwe straffen bijkomen en ten uitvoering worden gebracht door het parket. Berekeningen die mij worden gevraagd over de gemiddelde duur, heb ik op dit moment niet beschikbaar. Ze zijn, denk ik, vrij omvangrijk en ingewikkeld, en ik vraag me eerlijk gezegd af of er een bepaalde meerwaarde mee gecreëerd kan worden. Momenteel kan de directeur van de gevangenis bepalen of een voorafgaande maatschappelijke enquête aangewezen is door de justitieassistent, nadat hij met de veroordeelde een gesprek heeft gevoerd over zijn reclassering. Op die wijze kan de directeur vervolgens een beslissing nemen tot al dan niet toekenning van het elektronisch toezicht. Afhankelijk van het statuut van de veroordeelde, al dan niet in afwachting van (…) (Het geluid van een GSM weerklinkt) … het reclasseringsplan met de veroordeelde uitgewerkt, volgt een maatschappelijke enquête in het thuismilieu – dat is in antwoord op uw negende vraag – door de justitieassistent, en neemt de dienst in alle gevallen een beslissing tot het al dan niet toestaan van het elektronisch toezicht. Dat zijn, denk ik, punctuele antwoorden op de door u gestelde vragen. Mijn medewerker, de heer Baret, zal antwoorden op een aantal technische elementen uit de gestelde vragen. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Mevrouw de voorzitter, ik heb twee kleine opmerkingen in verband met het antwoord van de minister en één opmerking voor de heer Baret. Wat het antwoord van de minister betreft, heb ik duidelijk begrepen dat vooral het woord "plan" misleidend is, aangezien er enkel een principiële beslissing is genomen, waarvan ik alleen kan hopen dat ze planmatig en budgettair zal worden omgezet. Wat de werkwijze betreft, kan ik alleen herhalen dat principiële beslissingen in een regering best budgettair ingedekt zijn. Zo niet zal uw beslissing het karakter van een loutere verklaring behouden, mijnheer de minister. In dat opzicht dacht ik dat het beter was geweest niet meer dan een jaar tijd te verliezen voor de uitvoering van het bestaande meerjarenplan voor Justitie, waarvoor er voldoende gebudgetteerd was en meer was gebudgetteerd dan nu, in 2008. Er was in een globaal budget voorzien, verspreid over de verschillende jaren, met een meerjarenbegroting. U hebt die volledig naast u neergelegd. U zegt nu dat men systematisch moet werken, waarbij men eerst principieel moet beslissen. U hebt aangekondigd het aantal bijkomende plaatsen van 1.500 naar 2.500 te verhogen. Op de manier waarop u dat doet, kunt u evengoed 3.500 zeggen, want – ik sluit mij aan bij uw woorden – er is nog niets gebudgetteerd en u rekent op de goede sfeer in de regering om dat te doen. Ik dank de heer Baret voor zijn uitleg over goede samenwerking. Hij heeft op het einde van zijn antwoord een goede illustratie gegeven hoe alle mogelijke nationale en regionale planningen, van de regie en de administratie, door elkaar lopen. Op dat vlak heb ik ook begrepen dat er een goede wil is om dat nu anders te doen dan in het verleden, maar ook dat moet blijkbaar nog gebeuren. De grote ontgoocheling is dat men spreekt van een plan, terwijl men nog moet beginnen met het opstellen van het plan. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "de gebrekkige aanpak van de straatcriminaliteit in Anderlecht" (nr. 4758) Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, sta mij toe eerst te spreken over de feiten. Op donderdag 17 april rond 18.47 uur reed een politiewagen op de Bergensesteenweg. Ter hoogte van het kruispunt met de Habermanstraat hebben de agenten tegelijkertijd een impactgeluid op het koetswerk gehoord en een knal die leek op die van een luchtdrukgeweer. Vervolgens hebben de agenten een groep van een tiental jongeren opgemerkt die zich in de buurt van het kruispunt ophield. De agenten hebben hun voertuig stilgezet en hebben zich te voet begeven in de richting van de groep. Alle jongeren zijn dan weggegaan, behalve een die door de politie werd aangesproken. Vervolgens kwam er een dertigtal jongeren terug naar de politie toe en werden de agenten omsingeld. Door de tussenkomst van die jongeren kon de politie die ene jongen niet meenemen. Een agent nam dan zijn eigen pepperspray en een andere agent nam zijn matrak waarna alle jongeren wegliepen, behalve een. Die laatste gedroeg zich provocerend en hitste de anderen op. De politie arresteerde deze jongen en plaatste hem in de politiewagen. Op dat moment kwam een tweede individu tussen. Hij begon de agenten aan te spreken, zeggend dat hij niet akkoord ging met de arrestatie van zijn vriend en hij provoceerde de agenten. Deze jongen werd dan ook door de politie meegenomen en samen met de andere overgebracht naar het politiecommissariaat waar zij in de cel werden geplaatst. Tijdens de fouille op het commissariaat werd een van beide jongeren in het bezit gevonden van een pepperspray. Een vijftal personen hebben zich dan aangeboden op het politiekantoor met de eis te weten te komen waarom hun vrienden werden gearresteerd. Ze werden verzocht het politiekantoor te verlaten, wat zij ook effectief deden, behalve een jongen die zich arrogant gedroeg. Hij tierde, gaf een agent een duw en werd vervolgens dan ook gearresteerd. Geen van de agenten raakte gewond. Het parket werd om 19.45 uur gecontacteerd, bevestigde de aanhouding van de drie individuen - ze zijn alle drie meerderjarig – voor feiten van weerspannigheid en beval hun overbrenging naar het parket. Daar werden zij vrijdag in de namiddag verhoord door de parketmagistraat, ernstig terechtgewezen en vervolgens in vrijheid gesteld met de mededeling dat de vrijlating geenszins een stopzetting van de strafvervolging inhield. Het parket zal in deze strikt de onderrichtingen toepassen zoals verwoord in de COL 3/2008 van het College van procureurs-generaal houdende het strafrechtelijke beleid inzake doelgroepen zoals politiediensten die het slachtoffer zijn van agressie. Het gaat wat de misdrijven betreft over weerspannigheid. Er bestaat in het dossier geen enkel element om aan te tonen dat de drie te maken hebben met het schot van het luchtkarabijn. Het gaat niet om gewapende weerspannigheid. De drie jongeren hebben geen wapens gebruikt ten aanzien van de agenten. De pepperspray werd niet gebruikt door de jongeren maar werd ontdekt bij de fouille op het politiekantoor. Geen van de drie gearresteerden maakte het voorwerp uit van een voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling. Hun strafregister is blanco. Gezien de feiten – het parket van Brussel legt de nadruk op het feit dat het wat betreft de drie aangehouden personen om weerspannigheid gaat en niet om schoten in de richting van de politiecombi – meende het parket van Brussel dat het openen van een gerechtelijk onderzoek in de strikte zin van het woord – overgaan tot de aanstelling van een onderzoeksrechter en de voorlopige hechtenis, voor zover de onderzoeksrechter zou ingaan op een vordering in die zin – niet opportuun was. Een van de jongeren heeft sinds drie jaar een vaste betrekking, de andere begint op 1 mei een job en de derde loopt nog school. Het parket benadrukt bovendien dat de drie, op bevel van het parket, een nacht in de cel hebben doorgebracht en pas vrijdag in de namiddag, na verhoor, werden vrijgelaten. De betrokkenen zullen op het einde van het opsporingsonderzoek desgevallend het voorwerp uitmaken van een rechtstreekse dagvaarding. Insinuaties als zou die invrijheidstelling te maken hebben met een plaatstekort zijn uiteraard niet correct. De betrokkenen werden volgens het parket in vrijheid gesteld omdat het parket heeft geoordeeld dat er geen elementen bestonden nopens het schot. Hun persoonlijke situatie – geen strafregister en een stabiele sociale situatie – kwam eveneens in aanmerking. Ik denk niet dat ik mij moet uitspreken over de houding van het parket. Ik betreur – ik heb dat ook aan het parket zelf meegedeeld – de manier waarop daarover is gecommuniceerd, of beter gezegd niet is gecommuniceerd. Ik meen dat het parket er goed aan had gedaan sneller en duidelijker te zijn over zijn houding en de motieven voor die houding. Ik meen dat dit moet omdat de publieke opinie in zo’n situatie recht heeft op informatie. Het parket heeft er alle belang bij zijn optreden te duiden, eerder dan er dagenlang niet over te communiceren, met als gevolg alle terechte verontwaardiging die rijst bij velen die horen wat er is gebeurd. Ik beantwoord nog enkele vragen punctueel. Het Strafwetboek voorziet in verzwarende omstandigheden wanneer bepaalde feiten in bende worden gepleegd. Dat geldt onder meer voor feiten van weerspannigheid. In het raam van het arrondissementele rechercheoverleg vinden regelmatig, op vaste data, gestructureerde vergaderingen plaats tussen elke politiezone en het parket. De procureur des Konings te Brussel heeft de burgemeester van Anderlecht tien dagen geleden nog ontmoet. Het parket van Brussel deelt mij mee dat er een streng strafbeleid wordt toegepast inzake geweld tegen politiebeambten. Elke week vindt er een briefing plaats waarbij duidelijke richtlijnen worden gegeven inzake stadscriminaliteit. In die zin is het antwoord, als u vraagt of er inlichtingen zijn van het parket: ja, er wordt elke week een briefing daarover georganiseerd. Er is behoudens vergissing van mijnentwege geen specifieke rondzendbrief inzake straatcriminaliteit. De feiten zoals trouwens de andere recente autobusincidenten in dezelfde wijk, zijn problematisch en bijzonder zorgwekkend. Het recent afgekondigde Nationaal Veiligheidsplan bepaalt dat er op politie- en parketniveau een uniforme en systematische registratie zal komen van jongeren die veelvuldig feiten plegen, de zogenaamde veelplegers, zodat die delinquentie in kaart kan worden gebracht en zodat er op de meest adequate wijze kan worden gereageerd bij nieuwe strafbare feiten. U weet ook dat wij naar aanleiding van de goedkeuring van het Nationaal Veiligheidsplan, waarin de prioriteiten van de regering inzake het aanpakken van bepaalde fenomenen zijn opgenomen, aan het College van procureursgeneraal hebben gevraagd ons te rapporteren over de wijze waarop de prioriteiten die wij hebben geformuleerd op basis van het artikel van de Grondwet waarnaar u hebt verwezen, zullen worden omgezet in interne richtlijnen en rondzendbrieven en in de prioriteitsstellingen van het openbaar ministerie. Zij hebben daarvoor enkele maanden tijd. Ik neem binnenkort opnieuw contact op met het college. Het is evident dat ik erover zal waken dat ook de problematiek van de straatcriminaliteit en overlast in de publieke ruimte, die een prioriteit is van de regering, consequent door het openbaar ministerie aan bod komt in de nodige interne richtlijnen. U weet ook dat in overleg met het College van procureurs-generaal initiatieven worden genomen om de minder zware misdrijven die in aanmerking komen voor ambtshalve politioneel onderzoek nader te definiëren, enzovoort. Wij zullen ook op dat vlak proberen ervoor te zorgen dat er een betere samenwerking kan zijn, enerzijds, met de politie en anderzijds, met het openbaar ministerie. Tot daar een aantal punctuele antwoorden. Ik meen dat iedereen zeer goed beseft dat de incidenten die hebben plaatsgevonden niet op zich staan en dat het fout zou zijn ze als geïsoleerde incidenten te blijven beschouwen. De individuele feiten zijn feiten van weerspannigheid. Het gerecht heeft daarop gereageerd, en voor alle duidelijkheid – ik kan niet anders dan het te herhalen – het zal daarop blijven reageren. Het onderzoek zal worden voortgezet en men zal alle mogelijke inspanningen doen om te achterhalen wie daar heeft geschoten. Men zal uiteraard ook trachten dan de juiste vervolging in te stellen. Ik betreur zoals u allen, ten zeerste wat daar is gebeurd. Ik betreur ook dat het blijft gebeuren en dat het vaak om jonge mensen gaat, dat het om veelplegers gaat en dat het een fenomeen van straatcriminaliteit is dat blijkbaar niet ophoudt en dat het onveiligheidsgevoel in die probleembuurten alleen maar sterker wordt. Ik meen dat wij het er allemaal over eens zijn dat alle inspanningen die wij kunnen doen, moeten worden gedaan om dat fenomeen te stoppen? Zoals ik naar aanleiding van de beleidsnota heb gezegd – en het is jammer dat ik het naar aanleiding van dit incident moet herhalen – zal Justitie uiteraard haar verantwoordelijkheid opnemen. Maar ik zeg ook nog eens in alle klaarheid dat Justitie het alleen niet zal oplossen. Collega Doomst heeft er al naar verwezen en ik wil hem daarin bijtreden. Justitie komt in hoofdzaak aan het einde van het verhaal te pas, als er al veel is misgelopen en als zelfs een harde repressieve aanpak niet meer per definitie alleenzaligmakend kan zijn. Zo’n probleem aanpakken is een zaak van velen. Naast uiteraard de politie, van wie ik de frustratie zeer goed begrijp – ook dat is een verantwoordelijkheid van Justitie, om ook ten opzichte van de politiemensen duidelijk te maken waarom er wordt gehandeld, en respect op te brengen voor het werk dat de politiemensen leveren – zijn er ook de mensen in het maatschappelijk opbouwwerk, de scholen, de buurtorganisaties, individuele ouders, ouderverenigingen, artsen, straathoekwerkers, lokale besturen, en noem maar op. Iedereen heeft een grote verantwoordelijkheid bij de aanpak van het fenomeen van de straatcriminaliteit. Hier moet worden gehandeld. Dat is zeer duidelijk. Er moet overleg over zijn, er moet worden gepraat met elkaar, er moet coördinatie komen en er moet een goede, samen uitgewerkte aanpak worden uitgerold. U weet dat dit soort situaties al op vroege leeftijd begint. Het begint met spijbelen op school. Er is preventie nodig inzake spijbelende jongeren. Het begint met kansarmoede en al de problemen die deze met zich brengt. Het begint met ouders die de controle over hun kinderen verliezen of die zich dat niet meer aantrekken. Het begint met werkloosheid en het eindigt met de afwezigheid van elke betrokkenheid. Het eindigt met apathie, arrogantie, agressie. Het eindigt met een blijkbaar verloren generatie. Die massaal in de gevangenis steken is – dat weten wij allemaal – niet de ultieme oplossing. Er moet grondiger op worden gereageerd. Dat vereist een brede en vroege aanpak. Maar, ook in alle klaarheid, al die verklaringen die kunnen worden gegeven, kunnen de aanpak niet belemmeren, en mogen geen excuus zijn voor Justitie om niet te doen wat Justitie moet doen: optreden en reageren wanneer straatcriminaliteit als onaanvaardbaar fenomeen het veiligheidsgevoel aantast en wanneer er een soort beeld ontstaat van straffeloosheid. Dat kan niet. Daarin moet Justitie in alle klaarheid haar rol opnemen. De feiten in Anderlecht zijn volgens mij zeer ernstig te nemen. Het zijn feiten die uitwassen zijn van een dieper liggend structureel en veel breder probleem, dat is terug te voeren tot een verstoord sociaal weefsel, het wegvallen van sociale cohesie, toenemende frustraties, met als gevolg een veiligheidsissue dat de hele zone Brussel- Zuid betreft. Op 1 februari 2008 heb ik samen met collega Dewael het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011 afgekondigd. Ik heb toen gezegd dat dit document geen vrijblijvend beleidspapier is, maar een document waarmee wij aan de slag moeten. De prioriteit – de strijd tegen de straatcriminaliteit – staat daar uiteraard met zoveel woorden in. Ik roep dan ook de procureur des Konings van Brussel en de betrokken burgemeesters van de politiezone Brussel-Zuid op om in hun Zonaal Veiligheidsplan 2009-2011 prioritair aandacht te besteden aan deze problematiek en om concrete initiatieven te nemen. Dit betekent dat ik een goed onderbouwd actieplan en de toewijzing van voldoende capaciteit verwacht. Dat betekent dat ik overleg en werkvergaderingen verwacht. Dat betekent ook een engagement dat vanuit Justitie moet worden genomen om dat plan mee te helpen waarmaken. Veiligheid is wat de mensen terecht na aan het hart ligt. Dat is niet alleen een zaak van politie en Justitie, maar uiteraard de belangrijke corebusiness ervan. De procureur en de burgemeesters moeten dat debat opentrekken en andere verantwoordelijke diensten en overheden betrekken bij hun aanpak, zoals de Brusselse regering, de openbaarvervoermaatschappijen, de scholen en de plaatselijke leefgemeenschappen. Wij moeten komen tot wat wij in het Nationaal Veiligheidsplan een alert bestuur noemen – in Nederland wordt dat een gewapend bestuur genoemd – waarbij ieder binnen zijn bevoegdheid zijn verantwoordelijkheid opneemt. Ik heb de procureur des Konings en de burgemeester van Anderlecht uitgenodigd voor een eerste gesprek in functie van een totaalaanpak voor de volledige zone. Met de ondersteuning van de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid zal het zonaal veiligheidsplan Brussel-Zuid moeten uitgroeien tot een realistisch en haalbaar plan met duidelijke resultaten in de straat. Wij hopen hiervan een best practice te kunnen maken dat latere initiatieven kan inspireren. Dit is een moment waarop iedereen die zich hierin betrokken en verantwoordelijk weet, de handen in mekaar moet slaan. Er is een context om daarrond te werken, en ik verwijs daarvoor naar het zonale veiligheidsplan. Justitie wil daaraan actief participeren, maar wij moeten dan ook met zijn allen bereid zijn om daarvan een echt geïntegreerd project te maken. Ik denk dat dit de beste aanpak is. Ons neerleggen bij de feiten is onaanvaardbaar. We zullen dus nagaan hoe we met zijn allen een einde kunnen stellen aan die situatie of minstens het risico dat zich iets dergelijks voordoet zoveel mogelijk beperken. Ik benadruk ten opzichte van de collega's in deze commissie dat ik daarin als minister van Justitie niet alleen sta. Ook mijn collega, de minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael, heeft al initiatieven genomen. Voor alle Brusselse zones worden de pijnpunten in kaart gebracht. Het mag duidelijk zijn dat veiligheid een verantwoordelijkheid is die ook door collega Dewael ernstig wordt genomen. Ik doe een oproep aan de diverse gelederen van de diverse zones om ons in deze actie te steunen en alles in het werk te stellen om samen resultaten te boeken. Ik kan u echt wel verzekeren dat Justitie niet met klamme handen zal toekijken. Wij zullen onze verantwoordelijkheid nemen, maar we zullen dat proberen te doen in de concrete vorming van het Zonaal Veiligheidsplan. Ik hoop dat degenen die daarvoor op het terrein verantwoordelijk zijn, de uitgestoken hand en de steun van Justitie en de FOD Justitie zullen aannemen. Zoals eerder al gezegd, zal ik daarover binnenkort een eerste gesprek hebben met de burgemeester van Anderlecht en met de procureur des Konings. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, collega’s, ik ben tevreden met het antwoord van de minister van Justitie. Het is veel beter dan zijn eerste reactie van gisteren. Ik heb vernomen dat er een onderhoud volgt met de burgemeester van Anderlecht en de procureur. Dat is wat moet gebeuren. Ik denk dat de minister van Justitie zijn verantwoordelijkheid op dat vlak correct neemt. Meer zelfs, ik heb begrepen dat men van het Zonaal Veiligheidsplan van Brussel- Zuid een voorbeeld wil maken. Ik vind dat wij de minister van Justitie bij een dergelijke operatie moeten steunen. Men kan artikel 151, §1 van onze Grondwet niet genoeg herlezen. Het is de minister van Justitie die de bevoegdheid maar ook de verantwoordelijkheid heeft om het strafbeleid in goede banen te leiden. Hierop reageren door zomaar te verwijzen naar wat in algemene zin bezig is, was niet voldoende. Dat was de inleiding. De conclusie dat er specifiek iets zal gebeuren naar aanleiding van wat we zien gebeuren in Anderlecht, is het juiste antwoord. Ik steun de minister daarin ten volle. Wij zullen de timing daarvan uiteraard zeer nauwkeurig opvolgen. Er zijn immers nog een aantal punten die mij ongerust maken. Zeggen aan het College van procureurs-generaal dat ze maanden de tijd hebben om iets te implementeren mag u niet te vlug doen, want ze nemen automatisch maanden de tijd om iets te implementeren. Ik zou dat dus niet te veel herhalen. Ik denk dat hier specifiek nood is aan dringend optreden. De communicatie van het parket was uiteraard verkeerd. Ik begreep niet dat er geen reactie van het parket kwam. Ik begreep de reactie van het ministerie van Justitie, stellende dat men geen nieuwe wet moet maken om iedereen schuldig te maken. Dat is het punt niet. Er moet een strafbeleid worden gevoerd. Ik begreep niet dat de heer Colpin er tijdens het weekend niet was om dit op zijn goede manier recht te zetten. Ik vind de communicatie van de procureur van Brussel via Belga niet de juiste manier, zelfs in tegenspraak met uw communicatie hier. In theorie vind ik de procureur van Brussel de beste advocaat die de kleine crimineel in Brussel kan hebben. Hij heeft alle technische vereisten voor een vrijspraak opgesomd. Een woord gebruikt hij niet dat u wel, terecht, hebt gebruikt. “Men achtte het niet opportuun”. Het probleem ligt in de inschatting van de procureur van Brussel, om een dergelijk fenomeen aan te pakken. Het aanpakken van dergelijk fenomeen heeft niets met de wetgeving te maken. Ik doe niet mee aan het overaanbod om de wet aan te passen; omdat we niets kunnen bewijzen. Zo kan men iedereen schuldig verklaren en kan men iedereen oppakken. Dat is niet de bedoeling. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Luister naar de minister, en misschien ook eens naar mij. Ik zeg u dat de wetgeving het wel toelicht. Dat heeft de minister ook gezegd. Hij heeft gezegd dat de parketten het niet opportuun achtten. Daar ligt het probleem. Daarom vind ik het goed dat hij de burgermeester en de procureur bij zich roept om vooral ervoor te zorgen dat het Zonaal Veiligheidsplan van Brussel-Zuid een voorbeeld wordt voor de rest van het land. Op dat vlak is mijn enige vraag of u op een of andere manier zicht hebt op de timing van de aanpak, want zodra men een week geeft aan een procureur, neemt hij een paar maanden. Minister Jo Vandeurzen: Wat uw laatste vraag betreft, er is in een timing voorzien, die geldt voor iedereen, in de opmaak van de Zonale Veiligheidsplannen. Ik wil echter nogmaals benadrukken, en ik denk dat wij allen het daarover eens zijn, dat wij moeten nagaan hoe wij onze middelen maximaal kunnen inzetten om wat er is gebeurd, en onaanvaardbaar is, te vermijden. Ik nodig uit, en ik heb dat al duidelijk gezegd, om van het Zonaal Veiligheidsplan iets te maken wat mag worden gezien, maar dat zal de inzet en de middelen van velen vragen. Voor mij is het belangrijk dat, als het plan wordt opgemaakt, het goed doorleefd is en dat men zich goed realiseert wat men doet en waartoe men zich engageert. Voor mij is dat cruciaal. Een vage tekst, waarvan wij ons achteraf afvragen wat wij ermee moeten aanvangen, dat is niet de bedoeling. Ik wil erin investeren. Ik bied dat aan. Ik zal ook aan de burgemeester en de procureur aanbieden om het vanuit onze eigen dienst strafrechtelijk beleid te ondersteunen, maar het moet dan wel iets meer zijn dan een vrijblijvende oefening. Er zullen ook een aantal andere partners en beleidsniveaus, ook inzake ruimtelijke ordening en openbare werken, zich moeten engageren. Ik zal u graag informeren over de manier waarop het wordt aangepakt. U weet dat er procedures zijn beschreven voor de aanpak van het Zonaal Veiligheidsplan. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik meen dat wij erover moeten waken dat wij niet vervallen in de procedures van het zonaal plan, want dan kan men inderdaad lang bezig zijn, wegens de investeringen her en der. Wat mij opviel in de beelden die ik kreeg van Anderlecht, was dat het een mooi en verzorgd plein was. Er zijn verwaarloosde straten, maar men maakt een reportage op een plein dat er op het eerste gezicht goed, open en ruim uitziet en toch is er een probleem. Daarom ben ik bang van de uitspraak dat iedereen verantwoordelijk is. Dat is waar, maar er is ook een andere uitspraak, met name ieder zijn verantwoordelijkheid. Mijn punt is, mijnheer de minister van Justitie, dat u dringend aan de top van die verschrikkelijke ijsberg moet optreden. Ik hoop dat de procureur vanaf volgende week, vanaf uw onderhoud, deze zaken op een andere manier zal behandelen. Zoals u zelf zegt, men moet stoppen met ze te behandelen als individuele feiten. Er is iets meer aan de hand dan dat. Vandaar zeg ik dat u het persbericht van de heer Colpin van vandaag even moet bekijken. Dat is enkel het bekijken van individuele feiten en niet erkennen dat er een fenomeen is. Daarover gaat het namelijk. Anderlecht is een probleem. Laten wij het daarover eens zijn. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik vind dat men het spel correct moet spelen. In individuele zaken is er onafhankelijkheid, anders functioneert het systeem niet, maar men moet er lessen kunnen uit trekken voor het beleid. Dat is wat de minister doet. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Stel dat de minister de procureur op het matje roept, kan er dan nog een andere blaam worden uitgesproken? Indien de procureur zijn werk goed zou doen, zou de minister geen tijd moeten vrijmaken om een onderhoud te hebben met de burgemeester en de procureur. Onderschat dus niet de stap die de minister zet. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "de bevoegdheden van de Commissie voor Modernisering van de Rechterlijke Orde" (nr. 4726). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, naar verluidt wilt u de komende jaren alle mogelijke advies- en overlegorganen in en rond de gerechtelijke organisatie respecteren en consulteren. Ik heb dat ergens gehoord vorige week. U wil met hen ook protocolakkoorden afsluiten. Als ik goed gehoord heb, zou met de commissie voor de Modernisering van de Rechterlijke Organisatie dit akkoord reeds rond zijn. Daarom heb ik volgende vragen. Ten eerste, kunt u mij de opsomming geven van alle advies- en overlegorganen? Ten tweede, wat staat in het protocolakkoord met de commissie voor de Modernisering van de Rechterlijke Organisatie? Ten derde, met wie van de bovengenoemde advies- en overlegorganen zult u een protocolakkoord afsluiten? Het was voor mij immers niet duidelijk of u ze allemaal zult respecteren of consulteren of een akkoord met hen zult afsluiten. Ten vierde, welke timing hebt u vooropgesteld om al die protocolakkoorden af te sluiten met de advies- en overlegorganen die u zou respecteren en consulteren? Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, het is inderdaad wel de bedoeling om geen enkele van die adviesorganen of beleidsondersteunende vergaderingen onberoerd te laten. Wij gaan die allemaal moeten betrekken in de hervormingsagenda. Door het niet of wel nemen van initiatieven op het vlak van regelgeving en/of door het in meerdere of mindere mate toekennen van middelen worden al de instellingen van Justitie uiteraard aangestuurd. Het is dus van belang dat iedereen daarin zijn rol krijgt. Ik moet u wel een beetje corrigeren. Wij gaan natuurlijk beginnen met goede afspraken en met goed luisteren. Uiteraard betekent dat niet dat wij het absolute status-quo zouden cultiveren. Enige kritische reflectie is op zijn plaats. Door het gevaar een advies- of overlegorgaan over het hoofd te zien, zal ik hier geen exhaustieve lijst geven. Er zijn immers nogal wat advies- en overlegorganen. Enkele recente adviesorganen die door de recente wetgeving zijn opgericht verdienen echter bijzondere aandacht. Zij dienen hun plaats in het gerechtelijk landschap nog concreet in te vullen. Met hen maak ik dan ook in eerste instantie een protocolakkoord. Het gaat hier over de commissie voor de Modernisering van de Rechterlijke Organisatie, het Beheerscomité Informatica van de Rechterlijke Organisatie en de Adviesraad van de Magistratuur. Er zijn echter nog andere belangrijke organen die overigens niet steeds het statuut hebben van adviesorgaan, zoals de Hoge Raad voor de Justitie, om er één heel belangrijke te noemen. Ten eerste, met de commissie voor de Modernisering van de Gerechtelijke Organisatie wordt een protocolakkoord afgesproken waarin vier opdrachten staan. De twee eerste opdrachten betreffen het beheer van het personeel. Een, de ontwikkeling en de implementatie van een werklastmeetinstrument bij de zetel. Wij gaan dit ondersteunen via die commissie. Twee, de opstelling van functiebeschrijvingen voor het gerechtspersoneel van het niveau A en B ter uitvoering van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van het gerechtelijk wetboek, inzonderheid met betrekking tot de bepalingen inzake het gerechtspersoneel van niveau A – griffiers en secretarissen – en inzake de rechterlijke organisatie. De volgende twee opdrachten betreffen het beheer van de middelen. Een, de verbetering van het beheer van de gerechtskosten, een belangrijk dossier, en ten slotte, de bijdrage tot de transparantie op de producten van de rechterlijke organisatie - JustPax. Dit protocolakkoord over de opdrachten wordt eerst nog eens per thema uitgediept in een aparte tekst omdat we goed moeten weten hoe het zit met de timing, de opdracht en de inzet van de middelen. Het algemeen protocol en de concrete werkafspraken over het project werklastmeting in de zetel en functiebeschrijving voor het gerechtspersoneel worden in de maand mei geofficialiseerd. Ten tweede, ook in de maand mei wordt een protocolakkoord met het Beheerscomité Informatica van de Rechterlijke Organisatie afgesloten. Dit is belangrijk omdat dit het informatiseringproject van de Justitie moet helpen schragen. U weet dat wij daarvoor een nieuwe strategie hebben ontwikkeld en daarin is de rol van het beheerscomité uiteraard belangrijk. Ten derde, in de maand mei worden de onderhandelingen opgestart met de Adviesraad voor de Magistratuur om te komen tot een akkoord over de thema’s die zullen worden behandeld door die raad. Ik heb de adviesraad gevraagd om tegen eind april een concreet projectplan op te maken voor de komende twee jaar van hun mandaat over de werkzaamheden, namelijk het sociaal statuut, de werkomstandigheden en –voorwaarden van de magistraten. Op basis van het projectplan dat de adviesraad zal indienen kan dan worden gediscussieerd over de inhoud van het protocolakkoord. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, zou het vervelend zijn mocht ik mijn eerste vraag schriftelijk stellen? Bent u bang er een te vergeten uit de lange lijst? Minister Jo Vandeurzen: Er zijn al schriftelijke vragen over gesteld en beantwoord. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Waar de lijst volledig is? U zei dat u die niet durft te geven omdat u vreest niet volledig te kunnen zijn. Minister Jo Vandeurzen: Als u voldoende definieert wat u vraagt, zullen wij daarop een schriftelijk antwoord geven. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik begrijp uw probleem. Ik wou alleen naar boven brengen dat de minister van Justitie waarschijnlijk niet meer weet hoeveel er zijn. Dat kan ik mij best voorstellen. Wij respecteren de meest recente lijst. Ik heb alle begrip daarvoor. Maar, ik heb het al gezegd, het beheerscomité voor informatica is misschien toch een klein beetje verantwoordelijk voor het overladen van de kar in het verleden. Ik treed uw werkwijze volledig bij, dat er onderaan wordt begonnen, maar ik zou niet beginnen met die Griekse namen, want er hangt een vloek over die Griekse namen. Ik meende dat u andere namen ging gebruiken dan die mythologische namen. Want, wij hebben daar geen geluk mee, met die moeilijke namen. Ik meende dat u een stijlbreuk ging brengen en iets nieuws ging uitvinden. Ik vrees dat u een vloek hebt aangetrokken. Mijn meer ernstige bezorgdheid gaat uit naar de werklastmeting. Bent u echt zeker dat de commissie voor de modernisering van de gerechtelijke organisatie het meest aangewezen orgaan is om dit op een realistische wijze, en vlot, te doen? Ik meen dat u zo waarschijnlijk toch tijd zult verliezen. Minister Jo Vandeurzen: De werklastmeting is het onderwerp van een debat op zich. Uiteraard is de commissie een van de partners die erbij worden betrokken, en niet de enige partner Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Als u de werklastmeting, de grootste uitdaging, toekent aan de commissie voor de modernisering van de gerechtelijke organisatie, weet u toch dat die mensen in hun adviezen teruggaan naar de voorbereidende werken van de Grondwet van 1830? Ik weet niet of u al eens teksten gelezen hebt van de commissie voor de modernisering van de gerechtelijke organisatie. Die zijn goed voor studies, maar die zijn niet goed voor de praktijk. Inzake werklastmeting, meen ik, zijn er voorzitters van rechtbanken die, zoals inzake informatica, van onderaf iets opbouwen. Ik zou durven aanraden enkele voorzitters van rechtbanken te contacteren. Er zijn rechtbanken, zoals die van Nijvel, waar de achterstand verdween zodra er een nieuwe voorzitter was. Daar kwam een nieuwe stijl van opvolgen van de werkzaamheden. Ik denk dat er leidraden bestaan vanuit de praktijk waar de wil bestaat om ze te volgen. Ik heb het ook over het werk, het rendement en over hoe de zaken worden opgevogld. Minister Jo Vandeurzen: Dat is een apart debat. Voor alle duidelijkheid herhaal ik dat we de Commissie Modernisering niet zullen vragen om eigenaar te zijn van het product of van de dienst werklastmeting. Dat is niet de bedoeling. We zullen zoeken naar een representatieve groep vanuit de zetel, met mensen die dat kunnen aanpakken. Er moet echter iemand zijn die dat praktisch uitwerkt. In tegenstelling tot u, heb ik een veeleer positieve ervaring. Ik heb gisteren in Charleroi nog eens de kans gekregen om een concreet project te bekijken van een voorzitter van de rechtbank die zijn managementfunctie bijzonder dynamisch waarneemt. Hij vroeg de commissie om iets concreets te bestuderen, om iets te maken dat van nut kan zijn voor alle voorzitters van rechtbanken. Ik was gecharmeerd door de openheid van geest en de mentaliteit van zowel de korpschef ter plaatse als de commissie toen zij zeiden dat dit hen een goed idee leek. Ik heb dus geen negatieve ervaringen totnogtoe. U hebt echter een langere ervaring. U hebt de commissie immers opgericht. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): (…) Minister Jo Vandeurzen: Dat is blijkbaar veel gebeurd tijdens de vorige legislatuur. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik heb het beheerscomité informatica ook zo zien oprichten. Ik volg altijd goed wie om welke reden wordt aangesteld. Minister Jo Vandeurzen: Als ik het goed begrijp, is het drama van de vorige paarse periode het feit dat men niet voldoende naar u heeft geluisterd. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik heb geen probleem met uw opmerking. Mijn hoop is er nu op gericht dat u nu als generatiegenoot misschien beter zult luisteren naar mij. Ik beschik in ieder geval over andere wapens. Vroeger was ik deontologisch gebonden. Ik voerde discussies binnen de regering - u weet hoe heftig sommigen kunnen discussiëren - en dan zweeg ik. Omdat ik nu geen deel meer uitmaak van de regering ben ik verplicht om het hier te zeggen. U mag mij dat nooit kwalijk nemen. Ik formuleer mijn opmerkingen altijd met een goede bedoeling wat de materie betreft. Voorlopig kan ik niet klagen wat uw reacties betreft. Ik vind ze altijd goed. Ik vind ze veel beter dan de reacties van de premier. Uw reacties vind ik goed en ik hoop dat u minister Reynders en zelfs de premier soms zult kunnen overtuigen. Ik zal u daarin steunen. Minister Jo Vandeurzen: Vrees de Grieken die geschenken brengen! Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Met die Grieken moet u inderdaad opletten. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over "het koppelen van een levensverzekering aan huurcontracten door vastgoedkantoren" (nr. 4725). In opbouw |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het inschakelen van 500 militairen als penitentiair beambte" (nr. 4724). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, ik heb een kort vraagje. Uw collega, minister De Crem, maakte onlangs bekend dat hij het leger versneld wil inkrimpen. 500 militairen zouden volgens hem aan de slag kunnen als penitentiair beambte. Mijn vragen zijn de volgende. Ten eerste, klopt het? Ten tweede, zo ja, wat is de planning voor het uitvoeren van die maatregel? Ten derde, komt dit aantal in mindering van de geplande 626 aanwervingen die u voor 2008 nog zult doen? Ten vierde, was het zomaar iets wat de heer De Crem heeft gezegd? Minister Jo Vandeurzen: De bekommernis van het geachte lid inzake de invulling van de extra arbeidsplaatsen bij de FOD Justitie wordt ten zeerste op prijs gesteld. Het is inderdaad een hele opgave om op gepaste wijze de personeelsbehoeften in te vullen. Alleen al om de personeelseffectieven op peil te houden zijn er op het departement Justitie 750 tot 1.000 aanwervingen nodig per jaar. Met een personeelseffectief van 23.000 eenheden en een loopbaan van 35 tot 40 jaar moet er alleen al voor de natuurlijke afvloeiingen rekening worden gehouden met een minimale werving van 2,5% tot 3%. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met de opbouw van de leeftijdspiramide en de jobwisseling die in sommige functies zeer groot kan zijn. Het is verkeerd te denken dat mensen levenlang dezelfde functie bekleden. Dat is zeker het geval voor moeilijke beroepen zoals die binnen het directoraat-generaal Penitentiaire Instellingen. De iets meer dan 600 aanwervingen bovenop de vervangingsaanwervingen waarvan sprake, verwijzen enkel naar die welke bedoeld zijn ter versterking van het gevangeniswezen. Het gaat dan uiteraard niet alleen om penitentiaire beambten. Het is een belangrijk deel van Justitie, maar het vertegenwoordigt slechts een derde van het totale personeelseffectief. Er worden uiteraard nog andere wervingen voorzien. Dat gebeurt het liefst via de inbreng van nieuwe arbeidskrachten doch wanneer, zoals in het verleden, bij de herstructurering van andere overheidsdiensten, bijvoorbeeld Belgacom, vermeden moet worden dat mensen moeten afvloeien, is het uitwerken van specifieke mobiliteitsmogelijkheden een interessante oplossing. In hoeverre Justitie desgevallend voor Landsverdediging een uitweg zou kunnen bieden, moet nog worden uitgezocht. Het is nog niet mogelijk dat nu al te formaliseren. Het zou immers spijtig zijn de ambitieuze tewerkstellingsinitiatieven van de FOD Justitie in het gedrang te brengen door bij voorbaat af te zien van goed opgeleide, ervaren en gemotiveerde personeelsleden die bij Landsverdediging voorhanden zouden zijn. Nogmaals, het is te vroeg om ter zake een stelling in te nemen. Het vormt ook het voorwerp van sociaal overleg, dat spreekt voor zich. De suggestie van het geachte lid om pro justitia de nodige mankracht te vinden wordt in dank aanvaard. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Pro justitia, is dat een uitdrukking? Ik meende dat het de titel was van een boek. Er is dus nog niets concreets? Mijn vraag was eigenlijk of er een planning bestaat voor die aanwervingen in 2008? De minister van Defensie gaf immers de indruk dat een en ander al was afgesproken. Minister Jo Vandeurzen: Er zal sociaal overleg moeten plaatsvinden. Daar kan nu niet op worden vooruitgelopen. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Voor wanneer is dat sociaal overleg? Minister Jo Vandeurzen: Wij zijn bezig (…) Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Bedoelt u nu dat er een concrete planning is om na te gaan of militairen penitentiair beambte kunnen worden, en dat dit een punt is voor het eerstkomend sociaal overleg? Is het dat wat u zegt? Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, kunt u in het verslag laten noteren dat de minister niets meer zegt? |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de instelling voor geïnterneerden in Gent" (nr. 4590).
Minister Laurette Onkelinx: Ja, toch wel. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Anders stel ik het uit. Mevrouw de minister, chère Laurette, ik verwijs naar het antwoord van… Ja, het is even wennen. (…): (…). Laurette Onkelinx, ministre: C’est tout à fait vrai. Vous faites preuve de cohérence! Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Dans l’ironie aussi. Ik verwijs naar het antwoord van de minister van Justitie Vandeurzen op een vraag die ik hem op 18 maart van dit jaar heb gesteld in de commissie voor de Justitie over de aangekondigde instelling voor geïnterneerden in Gent. Aanleiding voor deze vraag was het feit dat de werken voor de bouw van deze instelling nog steeds niet zijn aangevat. Naar verluidt zouden de plannen geblokkeerd zijn door de vraag aan welke vereisten het gebouw in Gent moet voldoen, die van Volksgezondheid of die van Justitie. In zijn antwoord stelde de minister van Justitie dat het zijn standpunt is dat de instelling voor geïnterneerden in Gent moet worden opgevat als een forensisch psychiatrisch ziekenhuis dat dus moet voldoen aan de ziekenhuisnorm van Volksgezondheid, weliswaar met een aangepaste beveiligingsstructuur met het oog op de doelgroep die erin zal worden opgenomen. Vandaar mijn vragen. Deelt u het standpunt van de minister van Justitie, wat effectief een deblokkering zou betekenen van een bestaande discussie? Twee. Zo ja, blijken er op het terrein nog een aantal onduidelijkheden te bestaan? Een eerste vraag heeft betrekking op de personeelsnorm. Wat zal de norm zijn indien de beveiliging blijvend ressorteert onder Justitie? Of zal Volksgezondheid in de personeelsnorm zelf in extra beveiligingspersoneel voorzien, verzekerd door het therapeutisch personeel? Na de structuur is er dus een vraag naar de personeelsnorm. Derde vraag. In hoeverre kan het platform aangesteld door Justitie als adviespartner en coördinerend orgaan van de werkgroep bij de opstart van het FPCG, zijn functie blijven vervullen onder Volksgezondheid? Zal het platform met zijn recent geformuleerde adviezen en zijn expertise bij de uitbouw van het forensische project betrokken blijven bij de ontwikkeling van het FPCG? Vierde vraag. Welke impact heeft de overheveling van het project naar Volksgezondheid op de bouwplannen? In hoeverre moet het voorlopig ingediende schetsontwerp worden aangepast aan een ziekenhuisnormering? Wat met de beveiligingsinfrastructuur? Kunnen de bevoegde instanties van de FOD Volksgezondheid duidelijk adviseren aan het ontwerpteam teneinde de plannen te toetsen aan de desbetreffende norm? Minister Laurette Onkelinx: Mevrouw de voorzitter, mijnheer Landuyt, ik ben blij dat u mij deze vraag stelt. Zoals u weet, heb ik tijdens de vorige regeerperiode als minister van Justitie meerdere maatregelen genomen om het lot van de geïnterneerden te verbeteren, onder meer door een wet te laten goedkeuren die de hele procedure van de internering hervormt. Als minister van Volksgezondheid wens ik met mijn collega van Justitie op dezelfde weg voort te gaan. Ik denk inderdaad dat de geïnterneerden in een systeem van sociaal verweer van dezelfde zorgen moeten kunnen genieten als dewelke men in een psychiatrisch ziekenhuis verstrekt. Het is ook evident dat men binnen de structuur van het gebouw de onontbeerlijke veiligheidsmaatregelen moet integreren die moeten worden genomen ten aanzien van de personen die er zullen verblijven. Volksgezondheid en Justitie moeten in dit dossier nauw samenwerken. Daarom zijn de minister van Justitie en ik het eens om een structureel overlegplatform tussen de twee departementen in te stellen. In dat raam zullen we de verschillende problemen moeten oplossen waarmee we bij de bouw van de instelling voor geïnterneerden in Gent te maken zullen krijgen. Het probleem van de omkaderingsnormen is een goed voorbeeld van de problemen die we in dit overleg zullen moeten regelen. De omkaderingsnormen zullen onvermijdelijk verschillen naargelang het type van geïnterneerde dat er zal verblijven, van het risiconiveau dat ze vertonen en van de categorieën van zorgen die hen moeten worden verstrekt. De beheerders van dit dossier zijn in permanent contact om een akkoordprotocol voor te bereiden. Het spreekt voor zich dat ik inzake de implementatie van dit project verder zal overleggen met alle actoren die betrokken zijn bij deze belangrijke hervorming, zowel met de actoren op het terrein als met de bevoegde beleidsverantwoordelijken. Le modèle sur lequel nous sommes en train de travailler est celui de l’hôpital régional de Tournai qui dispose de moyens spécifiques sur le plan de la sécurité payés par le ministère de la Justice. Ce sera le cas pour le centre pour internés de Gand. En outre, les moyens habituels "Santé publique" seront octroyés pour l’accueil des internés psychiatriques. Une concertation avec la Communauté flamande, avec le ministre Steven Vanackere est nécessaire. Il faudra aussi certainement travailler pour la reconnaissance d’un nouveau lit psychiatrique. Nous travaillons à tout cela actuellement mais, d’un point de vue philosophique, le fait que ce soit un hôpital sécurisé est selon moi la meilleure méthode. Une autre méthode eût été de procéder un peu comme à l’hôpital de Neder-over-Heembeek qui a un statut tout à fait spécifique "Défense nationale–Santé". Si on le souhaite, on peut également y travailler. J’ai en tout cas donné mon accord pour que la voie de l’hôpital psychiatrique sécurisé puisse être explorée prioritairement. J’ignore si c’est également votre avis. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): Ce qui me préoccupe, c’est le timing. Sur le terrain, on se sent un petit peu bloqué du fait que des décisions doivent être prises. J’ai compris qu’il y aura un protocole. Quand? Laurette Onkelinx, ministre: Les négociations sont en cours. Je ne vais pas m’enfermer dans un délai. Des réunions se tiennent très régulièrement et j’espère pouvoir vous répondre très prochainement. Cela concerne aussi principalement le ministre Vandeurzen. Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro): M. Vandeurzen est un homme très occupé! L’inspiration de la question vient des gens de terrain qui s’inquiètent que rien ne bouge pour le moment. Laurette Onkelinx, ministre: Je comprends qu’ils aient l’impression que rien ne bouge mais des réunions ont lieu continuellement. J’espère que nous pourrons bientôt leur proposer un "package" avec une proposition très précise. Het incident is gesloten. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het pilootproject 'Proefzorg' in Gent voor drugsverslaafden" (nr. 4289). Het incident is gesloten. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het hof van beroep in Hasselt" (nr. 4288). Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, wat het regeerakkoord betreft, gelet op de ambities in de onderhandelingen om een veeleer beperkte tekst te maken, is een aantal zaken inderdaad niet meer expressis verbis hernomen. Ik maak er uiteraard geen geheim van dat de decentralisatie van het hof van beroep van Antwerpen - ik begrijp dat u ook pleitbezorger bent voor andere ressorten - voor mij een onderdeel is van de passages in het regeerakkoord waar uitdrukkelijk verwezen wordt naar de hervorming en de modernisering van de gerechtelijke orde en de verbetering van de toegankelijkheid van het gerecht. Wij zullen dat dus niet uit het oog verliezen. Het is echter ook juist dat, om alvast een eerste concrete en snelle stap te kunnen zetten, ik ingespeeld heb op de vragen en suggesties die van de actoren van Justitie uit de provincie Limburg zijn gekomen. Het idee om een loketfunctie van het hof van beroep van Antwerpen in Limburg te installeren, kadert in de plannen van de regering om de gerechtelijke orde te hervormen en te moderniseren en de toegankelijkheid van het gerecht te verbeteren. Het is een proefproject dat concreet moet voorzien in de installatie van een bemande en uitgeruste griffie met een beperkt aantal personeelsleden in de provincie Limburg. Het moet een voorpost zijn van de griffie van het hof van beroep te Antwerpen voor de Limburgse dossiers, waar stukken kunnen worden overgelegd, verzoekschriften en gerechtelijke akten kunnen worden afgegeven en dossiers kunnen worden ingekeken. Ter zake heeft er overleg plaatsgevonden tussen de eerste voorzitter van het hof van beroep van Antwerpen, de stafhouders van de orde van advocaten te Hasselt en te Tongeren en mijn kabinet. Iedereen heeft ondertussen reeds zijn bereidheid geuit om mee te werken aan het project. Ter voorbereiding van de concrete en praktische uitwerking van het project is er opnieuw overleg gepland een van de volgende dagen. Collega Schoofs, ik kom aan het project videoconferencing. Dat is zelfs een uitdrukkelijke suggestie. Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, ik ben een beetje verbaasd. Ik dacht dat het niet wijs was, op het ogenblik dat er op het terrein concrete voorstellen komen, er met een bocht omheen te gaan. Ik heb dus de bereidheid om een aantal zaken te organiseren en de kans met beide handen gegrepen. De voorstellen waren ook heel concreet. Uiteraard zal een en ander niet beletten dat wij de besluitvorming over een decentralisatie van de hoven van beroep en het hof van beroep in Limburg zullen doorzetten. De handigheid om bij die gelegenheid de uitbreiding naar het hele land of naar West-Vlaanderen te maken, begrijp ik uiteraard. Daarom is het ook duidelijk dat wij het dossier zullen evalueren. Geeft het project een meerwaarde, dan is dat een belangrijk punt en kunnen wij het ook bekijken voor de rest van het land. In die zin was ik van oordeel dat wij, veeleer dan een groot debat te houden waarin wij een heleboel tijd zouden moeten steken op het vlak van omkadering, wetgeving en structuur, beter opteren voor het geven van concrete antwoorden op concrete vragen van het terrein. Ik verkoos dus om het op die manier te doen en ook het signaal te geven dat wij het debat over de decentralisatie zullen doorzetten. Persoonlijk ben ik ook niet van plan om voornoemd idee los te laten. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, ik wil een correctie aanbrengen op het punt van de concrete werking. Ik ben voldoende van West-Vlaanderen om decentralisatie te appreciëren, ook wanneer zij in Limburg gebeurt. U zegt echter dat er geen budget is. U verwijst naar het algemeen budget. Dat is natuurlijk een gevaarlijke manier van spreken en ook heel moeilijk voor een Parlement om een en ander op te volgen. Indien alles onder de algemene noemer van rechterlijke organisatie is vervat, hoeft er zelfs geen begroting te worden opgesteld. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over "de gerechtelijke achterstand bij de Raad van State" (nr. 4286). In opbouw |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "de uithandengeving" (nr. 4285). Nog in opbouw |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het management van het gerecht als openbare dienst 'het gerecht' en het recht op verlof van rechters" (nr. 4284). Jo Vandeurzen, ministre: Monsieur Crucke, je partage avec vous l'idée que dans l'ordre judiciaire, il doit exister un régime permettant à chacun de prendre des vacances et garantissant en même temps le bon fonctionnement de l'appareil judiciaire. Actuellement, il n'existe aucune information donnant un aperçu général de la manière dont les périodes de vacances sont organisées dans les cours et les tribunaux. Il n'existe pas non plus d'information permettant d'établir un lien entre les vacances judiciaires et l'arriéré judiciaire. Ik denk dat het goed is dat men daar eens een zicht op zou krijgen. Langs de andere kant heeft de Adviesraad van de magistratuur de bevoegdheid om een bijdrage te leveren totverbetering van het sociaal statuut, van de werkomstandigheden en de voorwaarden van demagistraten. Ik heb reeds gevraagd tegen eind april een concreet projectplan uit te werken betreffende hun kernwerkzaamheden voor de volgende twee jaren van het mandaat. In het kader van dit projectplan zal ik hun ook expliciet vragen om hierin een concreet voorstel te formuleren betreffende het gerechtelijk verlof. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben blij dat het bijna op het laatst was dat het woord onafhankelijkheid van het gerecht viel. Voor alle duidelijkheid, de huidige cursussen in de opleiding rechten dateren van vóór 1998, daarin gaat het over de scheiding der machten en onafhankelijkheid van het gerecht. De omschrijving van de onafhankelijkheid van het gerecht en specifiek de onafhankelijkheid van rechters en procureurs is omschreven in het eerste lid van artikel 151 van de Grondwet. Dat is het artikel dat, met de hoogleraars op kop, het Minister Jo Vandeurzen: Mijnheer de voorzitter, het is jammer dat we nog met zo weinigen zijn, want het is natuurlijk een belangrijke en interessante discussie. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik ga voor honderd procent akkoord met de vergelijking van gerechten met ziekenhuizen wanneer het over management gaat. Men moet daar echter consequent in zijn. Als minister van Justitie moet men opletten met nuancering van wat in de Grondwet staat, want men verzwakt zijn eigen positie. Het is niet gemakkelijk, want het is nieuw. Men wil nog altijd niet zien wat er staat in de eerste paragraaf van artikel 151 van de Grondwet. Dat is heel helder, het behoeft geen interpretatie. Ik herhaal het, ik stoor mij enorm aan de cursussen staatsrecht die wat die passages betreffen, dateren van voor 1998 en duidelijk verkeerd zijn. Ze verzwakken de positie van de politiek. De politiek is nochtans bedoeld om de middelen diewe in het gerecht stoppen, efficiënt te gebruiken. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het Slachtofferfonds en het aandeel van veroordelingen voor verkeersovertredingen hierin" (nr. 4283). 10.01 Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, sinds 1985 – dat is intussen al 23 jaar – komt de Staat tussen voor een schadevergoeding aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en soms ook aan hun verwanten. De commissie voor Financiële Hulp aan Slachtoffers is eigenlijk een administratief rechtscollege, dat de aanvragen behandelt en ook de beslissingen neemt. Uit de cijfers blijkt dat het aantal bij de commissie ingediende verzoekschriften jaar na jaar stijgt, namelijk van 26 verzoekschriften in 1987 tot meer dan 1.200 verzoekschriften in 2007. In 2007 werd aan slachtoffers niet minder dan 12,57 miljoen euro schadevergoeding uitgekeerd. Het geld dat door het Slachtofferfonds wordt uitbetaald, komt van de verplichte bijdragen die veroordeelden storten en ook deels van het bedrag dat van de daders of de burgerlijke verantwoordelijken wordt teruggevorderd. Door een structureel tekort kwam er eind 2005 een verhoging van de bijdragen. Dat is dus goed twee jaar geleden. Op dat ogenblik werden de verplichte bijdragen, die worden opgelegd aan mensen die door de politierechtbank, de correctionele rechtbank of andere strafrechtbanken worden veroordeeld, verhoogd van 55 euro tot 137,50 euro. Dat was dus een grote verhoging. Mijnheer de minister, hoe staat de rekening van het Slachtofferfonds er nu, ruim twee jaar na de verhoging van de bijdragen, voor? Heeft de verhoging intussen tot een overschot geleid? De verplichte bijdrage stuit hier en daar op kritiek. Immers, volgens sommige rechters zijn de boetes die zij uitspreken, soms lager dan de bijdragen die de veroordeelden moeten betalen. Het komt voor dat een politierechter verschillende keren de verplichte bijdrage uitspreekt. Dat scheelt dus een slok op de borrel in de uiteindelijke totaalsom die de veroordeelde betaalt. Wil u de bijdrage evalueren? Zo ja, in welke zin en op welke termijn wil u ze evalueren? Hebt u plannen om het toepassingsgebied uit te breiden, zodat nog meer mensen een beroep op het Slachtofferfonds kunnen doen? Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, collega’s, mijnheer de minister, wij hebben in 2005 inderdaad de bijdrage voor het fonds nog verhoogd. Bij iedere veroordeling moeten de veroordeelden nu niet meer 55 euro bijbetalen, maar 137,50 euro. Ik geef het voorbeeld van een politierechtbank, waar vele overtredingen passeren. Overigens, nu ik een beetje aan de andere kant sta, kan ik zeggen dat ik de boetes in de politierechtbank verschrikkelijk hoog vind. U moet het eens meemaken. Ik begrijp nu veel meer dan vroeger de aversie van de gewone autobestuurder tegenover de boetes, zeker als die vergeten is ze te betalen en voor de politierechtbank moet verschijnen. Het is verschrikkelijk te zien hoe hoog een boete is. Permanent wordt de 1.000 euro benaderd. Als de boete al eens laag is, dan is er nog altijd die 137,50 euro voor het Slachtofferfonds. Destijds, bij de verhoging, heb ik in de regering opgeworpen dat het Slachtofferfonds na 2005 gestijfd zou worden door verkeersovertreders. Maar aan die bijdrage hebben verkeersslachtoffers niets; er is geen wisselwerking. Wie slachtoffer is van een verkeersongeval, kan geen beroep doen op het Slachtofferfonds. Voor de slachtoffers die op een of andere manier niet aan hun schadevergoeding geraken, is er het Motorwaarborgfonds, met al zijn beperkingen. Ik denk dus dat op dat vlak een opportuniteit nog altijd niet wordt gebruikt. Het Slachtofferfonds is ondertussen – als ik de jaarrekeningen goed interpreteer – toch een zeer sterk fonds geworden, veel sterker dan het Zilverfonds. Dat fonds kan dus wellicht handiger gebruikt worden om álle slachtoffers in onze maatschappij beter te beschermen, eenmaal het kwaad is geschied. Mijnheer de minister, vandaar heb ik de volgende vragen. Uiteraard vraag ik eerst naar de jongste cijfers van het Slachtofferfonds. Kunt u nagaan hoeveel van de bijdragen voor het fonds binnenkomen via de politierechtbank,wat in de praktijk betekent dat ze vrijwel volledig uit verkeersovertredingen gehaald worden? Behoort u tot mijn kamp en bent u er ook voorstander van om de doelgroep van het Slachtofferfonds uit te breiden tot – nog altijd de grootste groep van slachtoffers in onze maatschappij – de slachtoffers van verkeersongevallen?
Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Enkel wat het laatste punt betreft, ik wil mijn collega ervoor waarschuwen haar verwachtingen niet te hoog te leggen. In de nota, die officieel nog niet bestaat, staat er dat men het zal bestuderen. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "de Hoge Raad voor Justitie" (nr. 4004). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een opvolgingsvraag. De Hoge Raad voor de Justitie was op uw vraag bereid te voorzien in de continuïteit van de gerechtelijke opleiding tot 23 maart 2008. Mijn vraag is: wat nu, want 23 maart 2008 is voorbij. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, als ik het goed begrijp, was de taak van de Hoge Raad voor de Justitie alleen het opstellen van een brochure van de opleidingen en meer niet. Ik denk dat de taak ruimer was. In hun brief van 1 februari 2008 aan het Parlement stond immers uitdrukkelijk dat alle verantwoordelijkheid bij de minister van Justitie ligt en zij hun taak slechts tot 23 maart 2008 zouden kunnen vervullen. Tot op heden is er dus niemand die hun taak uitoefent. Er is dus een volledige lacune. Voorts had ik een opmerking over de rol van de Hoge Raad voor de Justitie over het opvolgen van instructies en het invullen van opdrachten van de minister van Justitie met betrekking tot de Grondwet. Mijn probleem ligt in de wettelijkheid. Er is een wet die de gerechtelijke opleiding regelt, maar die regelt ook de benoemingsvoorwaarden en de functioneringsvoorwaarden van bijvoorbeeld een onderzoeksrechter. Daar ligt het probleem de komende maanden. In het Gerechtelijk Wetboek staat met name dat men moet voldoen aan de opleidingsvereisten van het instituut. Dat is vandaag volledig van kracht. Dit is een materie van gerechtelijk recht, van procedures, van gerechtelijke onderzoeken, waar de letter van de wet enorm belangrijk is en waar letterlijk staat dat de personen die een dergelijke zware verantwoordelijkheid op zich nemen, zoals een onderzoeksrechter, moeten voldoen aan de opleidingsvoorwaarden, die niet zomaar in een brochure zijn gezet, maar die onder het toezicht van het instituut staan dat men niet wenst op te richten, tenzij men, naar ik vermeen, een structuur zal opstellen zoals bij de NMBS waarin de vertegenwoordigers van de Gewesten en Gemeenschappen aanwezig zullen mogen zijn. Mijn bezorgdheid is dat er een groot gevaar is voor de geldigheid van gerechtelijke onderzoeken en de benoemingen. Binnen negen maanden hebt u daar effectief problemen mee. Het incident is gesloten. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de uithandengeving" (nr. 3057). In opbouw |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de nieuwe gevangenissen" (nr. 2946). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijn vraag is er gekomen naar aanleiding van een paar artikelen in de krant, eentje in het bijzonder. Mijnheer de minister, er waren de uitspraken van de heer Meurisse, hoofd van het gevangeniswezen. Daarna waren er uw verklaringen of rechtzettingen, ten aanzien van collega Van Hecke, waarbij u zei dat wat de heer Meurisse heeft gezegd allemaal niet waar was of alleszins voorbarig. Ik meende dat een van de belangrijke punten, of een van de tien redenen waarom de veertien ministers hebben geprobeerd om de interim-regering tot morgen op de been te houden, erin bestond om de problematiek van bijkomende gevangenissen vooruit te helpen omdat dit een dringend punt is. In het SOS-plan voor Justitie van CD&V stond trouwens als eerste puntje: 1.500 bijkomende cellen in 24 maanden. Met enige verwondering las ik dan ook in een van de Nederlandstalige kranten – De Standaard denk ik – een interview met u waarin u doodleuk zei dat dit eigenlijk niet kan. U hebt in alle openheid uitgelegd dat het SOS-plan ofwel fantasieën bevat, ofwel dat u van mening en strategie bent veranderd. In het plan staat nochtans letterlijk dat er in 24 maanden 1.500 cellen moeten bijkomen. Ik meen mij te herinneren dat ten tijde van de vorige regering, zo’n negen maanden geleden, toen reeds beslissingen werden genomen voor 1.500 cellen. Ik weet niet met zekerheid wat er de afgelopen negen maanden is gebeurd inzake de uitvoering van die plannen. Sedertdien heb ik de kernvergaderingen immers niet meer kunnen bijwonen. Vandaar mijn vraag om duidelijkheid. Werd er meer of minder beslist dan de vorige regering? Let op, want ik heb nog de documenten met de beslissing van de vorige regering. Gelieve daarmee rekening te houden in uw antwoord. Ik wil toch wel eens weten of dit nu meer of minder is. Dit zou trouwens ook eerlijk zijn ten opzichte van de buitenwereld. Gelet op uw uitdrukkelijke verklaringen is mijn vraag dan ook of het allereerste punt van het SOS-plan voor Justitie, regel 3 “…in 24 maanden 1.500 cellen via PPS…” zomaar ter zijde werd geschoven dan wel of wij dit Nederlands verkeerd hebben gelezen. Is ook dit een van de beloftes die al sneuvelen vooraleer de regering is opgestaan? Hoeveel middelen hebt u uitgetrokken voor uw plannen inzake gevangeniscapaciteit? Ik weet dat dit een moeilijke vraag is. Een paar weken geleden is er een persbericht verschenen met daarin een begrotingsakkoord, maar er is nog geen begroting dus is er misschien ook nog geen geld om de plannen uit te voeren. Ten vierde, zullen de beloofde gevangenisplaatsen er dan toch zijn binnen de twee jaar? Ten vijfde, betekent dit dat de renovatie van de gevangenis van Vorst, zoals door u aangekondigd in een ander artikel op 12 maart, op de lange baan wordt geschoven? Hoe moeten we dat lezen? Minder gevangenissen? Toch een beetje renovatie? Of alle twee ineens? Ten zesde, wat heeft de interim-regering nu eigenlijk gedaan op het vlak van gevangenisuitvoering en meer in het bijzonder op het vlak van bijkomende gevangenissen? Minister Jo Vandeurzen: In het beleid betreffende de strafuitvoering is er voorzien in een belangrijk deel betreffende het opdrijven van de celcapaciteit, in het kader van het negende punt van het programma van de interim-regering. Ik kan u ook bevestigen dat het overgenomen zal worden in het definitieve regeerakkoord. Om tot een hogere celcapaciteit te komen, beperk ik mij uiteraard niet tot het bouwen van nieuwe gevangenissen. Ik wil de verhoogde capaciteit ook bereiken door op drie niveaus te werken. In de eerste plaats wordt er in de bestaande gevangenissen voorrang verleend aan renovatie- en moderniseringswerken die een gunstige impact hebben op de celcapaciteit, evenals aan werken die de veiligheid verbeteren. Met dit soort werken kan reeds het equivalent van de capaciteit van één middelgrote gevangenis weer operationeel gemaakt worden. In de tweede plaats wordt het meerjarenplan van de vorige regering geëvalueerd en, waar nodig, bijgestuurd. Een van de bijsturingen is inderdaad een lichte herschikking in de planning van de renovatie van Vorst. Die herschikking heeft tot gevolg dat, in plaats van door de werken een vermindering van 60 cellen te veroorzaken, wij ervoor zorgen dat er geen verlies is en dat er na de werken zelfs 60 cellen bij gecreëerd zullen zijn. Dat is een voorbeeld van de methode die ik wil toepassen. Bij elk werk wordt ook nagegaan of er celcapaciteitsverlies is. Zo ja, worden de werken zo georganiseerd dat het verlies of vermeden of geminimaliseerd wordt en anderzijds voorrang kan worden gegeven aan werken die een gunstige impact hebben op de beschikbaarheid van de cellen, bijvoorbeeld door lekkende daken te herstellen. Ik vind dat inderdaad een goede, gecoördineerde aanpak. In de derde plaats is er een voorstel van bijkomende gevangenissen. Het gaat hier effectief ook over bijkomende capaciteit. Zoals ik vorige week reeds heb geantwoord, moeten voor de nieuwe capaciteit die ik wens te creëren nog locaties bepaald worden. Dat is een opdracht die door mijn collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen, in samenspraak met mijn administratie, zal worden uitgevoerd. De Regie der Gebouwen stelt eveneens de kostenramingen op en onderzoekt voorstellen over financieringsformules. Uiteraard werd een aantal projecten reeds opgestart. In die projecten is een stuk van de doorlooptijd al achter de rug. Ik verwijs bijvoorbeeld naar Dendermonde. Wat de termijn betreft, op basis van vroegere projecten kan worden gesteld dat men een aantal studiejaren nodig heeft en daarna een aantal jaren voor de realisatie. De termijnen waarnaar u verwijst, lopen uiteraard vanaf het ogenblik van de bouwvergunning. Door deze aanpak kan ik alvast dit en volgend jaar effectief bijkomende celcapaciteit realiseren binnen de bestaande gevangenissen. Wij optimaliseren de plannen van de vorige regering. Die plannen gaan inderdaad door en zullen dus sneller resultaten kunnen opleveren. Ik zal inderdaad de basis leggen voor een uitbreiding van de capaciteit, die gelijktijdig gunstige omgevingsvoorwaarden voor blijvende modernisering, renovatie en beveiliging aanreikt. Daarnaast werd alvast verkregen dat mijn collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen een bijzondere inspanning doet voor de uitvoering van herstel- en beveiligingswerken in de gevangenissen. Ik bevestig dat er nieuwe gevangenissen zullen worden gebouwd. Daarmee geef ik uitvoering aan het negende punt van het regeringsprogramma (versterking van het strafuitvoeringsbeleid). Mijn collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen zal de meest geschikte terreinen zoeken. De bouwplannen zullen worden opgesteld in samenwerking met mijn administratie, rekening houdend met de stedenbouwkundige verplichtingen en de beschikbaarheid van de terreinen. Met die nieuwe gevangenissen willen we iets doen aan het probleem van het toenemend aantal gedetineerden en de bestaande strafinrichtingen ontlasten om ze te kunnen moderniseren, renoveren en beveiligen. De ervaring leert dat zonder een “bufferzone”, die werken niet snel kunnen worden uitgevoerd, wat een factor van onveiligheid vormt. Mijn collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen moet de geschikte financieringswijze voorstellen. Idealiter zullen we trachten via een partnerschap voor de veiligheid te werken om dat dossier vooruit te doen gaan. Mijnheer Gilkinet, ik bevestig dat er in Florennes een probleem is: de ondergrond is problematisch en men aarzelt om er op dat terrein een gevangenis te bouwen. We zouden kunnen rekening houden met de inrichting van een jeugdgevangenis in Achène, waar er reeds een terrein werd aangekocht en waarover we met de Regie der Gebouwen onderhandelen. De Regie der Gebouwen zal het overleg met de betrokken gemeenten voeren. We zullen uiteraard de actoren van de jeugdzorg van het betrokken Gewest raadplegen. Deze namiddag heb ik over deze kwestie met vertegenwoordigers van de Franse Gemeenschap reeds overleg gepleegd. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, ik probeer te volgen. Op mijn eerste vraag of er nu tot meer of minder is beslist dan door de vorige regering, is het antwoord dat er nog niets is beslist? Ik begrijp dat er meer wordt aangekondigd, waardoor op vraag twee nog niet geantwoord kan worden. Uw beloftes kunnen dus eventueel nog gerealiseerd worden. U weet toch wat uw beloftes zijn? Moet ik ze nog eens herlezen? Of moeten we later afspreken als er ooit iets beslist wordt? De voorzitter: Dat zal in het verslag staan, mijnheer Landuyt. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Wat zal er in het verslag staan? De voorzitter: Uw vraag zoals u die hebt uiteengezet, met de geciteerde teksten. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Dat is nieuw. Ik vraag het om zeker te zijn, maar ik moet eerlijk zijn: ik moet iedereen de kans geven om fouten recht te zetten. Ik herhaal: ik heb gehoord dat ze nog niets beslist hebben. Dat heb ik toch gehoord, niet? Hebt u al iets beslist? Minister Jo Vandeurzen: Ik denk dat dit geen repliek meer is, maar een vraag. Minister Jo Vandeurzen: De onderhandelingen met de Regie der Gebouwen zijn aan de gang en wij doen ons best om de praktische problemen te regelen. Nu de begroting 2008 goedgekeurd is, kunnen we een concreet programma voor renovatie en veiligheidswerken uitstippelen ter aanvulling van de beslissingen uit het verleden. Een meerjarenplan met betrekking tot de gevangeniscapaciteit moet over enkele weken door de regering worden goedgekeurd. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de evaluatie van het federaal parket" (nr. 2923). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ook hier heb ik een vraagje teneinde het dossier te vervolledigen. Ik kom niet terug op uw openheid inzake het herbekijken van de parketten in hun geheel. Echter, inzake het federaal parket en omwille van het feit dat u zelf al zei dat wij de wegen die inzake evaluaties werden uitgestippeld, moeten bewandelen, is er een zaak die ik gedurende mijn afwezigheid op het terrein niet helemaal heb begrepen. De wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de Raad van procureurs des Konings bepaalde dat er een evaluatiesysteem van het federaal parket zou zijn. Met name zou artikel 143bis van het Gerechtelijk Wetboek als volgt worden aangevuld: “Het College van procureurs-generaal evalueert, op basis van onder meer de rapporten van de federale procureur en na deze laatste te hebben gehoord, de wijze waarop de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid tot de federale procureur worden uitgevoerd, de wijze waarop de federale procureur zijn bevoegdheden uitoefent en de werking van het federaal parket.” Indien ik mij niet vergis, is voornoemd evaluatiesysteem nooit in werking getreden. Anderzijds wordt, blijkens een drietal dossiers, de noodzaak aangevoeld om het federaal parket even te evalueren. Daarom heb ik de volgende vragen. Ten eerste, weet u waarom artikel 143bis niet in werking is getreden? Ten tweede, bent u van plan voornoemd artikel in werking te laten treden of plant u een ander evaluatiemechanisme voor het federaal parket? Indien dat het geval is, ben ik uiteraard geïnteresseerd in de krachtlijnen van bedoeld mechanisme. Vandaag ben ik ook voorstander van een dergelijk mechanisme. Ten slotte, legt het federaal parket wel bij u verantwoording af? Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, artikel 5 van de wet van 22 december 1998 is in werking sinds 21 mei 2002 krachtens het koninklijk besluit van 10 juli 2001 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de Raad van procureurs des Konings. De passage uit artikel 143bis van het Gerechtelijke Wetboek die u citeert in uw vraag is dus wel degelijk in werking en wordt ook effectief toegepast. De evaluatie van het federaal parket door het College van procureurs-generaal gebeurt jaarlijks op grond van een uitgebreid rapport van de federale procureur. Deze rapporten van de federale procureur bieden zowel een kwantitatief als kwalitatief overzicht. Voormelde evaluatie wordt opgenomen in het jaarlijks verslag van het College van procureursgeneraal aan de minister van Justitie dat aan het Parlement wordt meegedeeld en openbaar wordt gemaakt. Deze werkwijze staat in de wet en in de gemeenschappelijke circulaire van de minister van Justitie en het College van procureursgeneraal van 16 mei 2002 die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 mei 2002. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, meteen is mijn kennis weer bijgeschaafd. Mijn specifieke vraag is echter de volgende. Wordt dit gehanteerd ingeval van noodzaak, zoals nu, om het federaal parket te evalueren? Minister Jo Vandeurzen: Het wordt geëvalueerd. Het document waarin dat verslag staat, moet hier beschikbaar zijn. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ja, maar de vraag is of het wel de juiste werkwijze is om naar aanleiding van enige beroering pas op dat moment een rapport op te vragen. Moeten wij niet uit respect voor het artikel in werking via het College functioneren? Dat is toch hetgeen u bedoelt als u zegt dat u een rapport vraagt. Minister Jo Vandeurzen: In punctuele zaken kan ik toch een verslag vragen aan de federale procureur, waarvan ik dan melding maak hier. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de instelling voor geïnterneerden in Gent" (nr. 2922). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb iets nieuw geleerd, met name dat het budget “politiquement décidé” is. Over een nog onbestaand budget wordt dus politiek beslist? Minister Jo Vandeurzen: (…) Dat moet worden beslist in het Parlement. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Politiquement décidé betekent dus dat het werd aangekondigd? Een concreet dossier betreft de twee nieuwe instellingen voor geïnterneerden in Antwerpen en Gent. Ik wil het hebben over de instelling in Gent, waar er vertraging dreigt omdat er discussie zou zijn tussen de ontwerpers en de overheid, over de voorwaarden waaraan deze instelling moet voldoen. Moet die instelling voldoen aan de voorwaarden van het ministerie van Volksgezondheid of aan de voorwaarden, in het bijzonder de veiligheidsvoorwaarden, van het ministerie van Justitie? Ik breng dit hier naar voren omdat ik denk dat als dit blijft aanslepen op het werkterrein, wij onnodig tijd zullen verliezen. Ik denk dat er ook hier politiquement zal moeten worden beslist of deze instelling ressorteert onder Volksgezondheid of onder Justitie. Blijkbaar zit men geblokkeerd omdat die knoop niet werd doorgehakt. Dit schijnt de aanleiding te zijn voor verschillende ontwerpen. Ik heb de volgende vragen. Kloppen de geruchten over die discussie? Zal de situatie worden gedeblokkeerd of is dat niet nodig? Werd ze al gedeblokkeerd? Zal deze instelling tegen 2010 operationeel kunnen zijn? Hoe is de situatie in Antwerpen? Wat is de planning voor de bouw van de instelling in Antwerpen? Voorziet u nog in bijkomende initiatieven om het probleem van de geïnterneerden aan te pakken of zult u zich ook hier beperken tot het goed uitvoeren van de beslissing van de vorige regering? Minister Jo Vandeurzen: Mijnheer de voorzitter, er wordt inderdaad een gesloten centrum voor geïnterneerden gepland te Gent. Dit forensisch psychiatrisch centrum zal een capaciteit hebben van 270 plaatsen. Via een overheidsopdracht werd in 2007 door de Regie der Gebouwen een ontwerpteam aangesteld dat tegen eind 2008 een ontwerp voor deze instelling moet ontwikkelen. Deze opdracht is opgedeeld in welomlijnde fasen. De eerste fase die thans loopt, behelst het opmaken van een ontwerpschets. Deze schets werd gepresenteerd door het ontwerpteam op 13 maart 2008. In het kader van deze presentatie werd door de administrateur-generaal van de Regie der Gebouwen de schriftelijke vraag gesteld aan de Federale Overheidsdienst Justitie om zich uit te spreken over haar advies over deze instelling. Met andere woorden, wordt het een verzorgingsinstelling of een gewone gevangenis? Het lijkt een evidente vraag, maar ik kan u bevestigen dat de vorige regering daarover inderdaad geen duidelijkheid heeft gegeven. Het is mijn standpunt dat de instelling voor geïnterneerden te Gent wel degelijk dient te worden opgevat als een forensisch psychiatrisch ziekenhuis, weliswaar met een aangepaste beveiligingsinfrastructuur met het oog op de doelgroep die erin zal worden opgenomen. Wat mij betreft dient het ontwerp dus te voldoen aan de veiligheidsnormen van Justitie, maar ook aan de ziekenhuisnorm van Volksgezondheid. De situatie te Gent is analoog aan de situatie van de inrichtingen voor sociaal verweer te Doornik en te Bergen, waarvan de werking volledig ten laste wordt genomen door het RIZIV. Het ontwerpteam te Gent zal samen met de vertegenwoordigers van de Regie der Gebouwen en Justitie het geschetste ontwerp bespreken met de bevoegde instanties van de FOD Volksgezondheid om dit te toetsen aan de desbetreffende norm. Op uw laatste bijgevoegde vraag kan ik antwoorden dat er inderdaad nog duidelijk moet worden gesproken over bijkomende mogelijkheden voor geïnterneerden. Ik denk dat u het met mij helemaal eens zult zijn dat deze niet thuishoren in een gevangenis en dus moet daarvoor ook in infrastructuur worden voorzien. Dit zijn instellingen voor high risk geïnterneerden, maar het is evident dat er ook nog andere formules moeten worden ontwikkeld, zoals er trouwens ook een aantal zijn ontwikkeld. Ik onderhandel daarover met mijn collega van Volksgezondheid. Wat u zegt, is heel juist; het is van cruciaal belang dat deze kwestie wordt uitgeklaard in dit stadium van het ontwerp. Er is geen sprake van een blokkering, integendeel: het gaat om een belangrijk beslissingsmoment waar niet overheen mag worden gestapt. We moeten dat de volgende weken in overleg beslissen. Bij mijn aantreden werd ik door de Regie der Gebouwen in kennis gesteld van de geplande afwerking van het forensisch centrum te Gent tegen 2012. Voor de afgesproken planning dient het ontwerpteam een definitief plan voor te leggen tegen einde 2008. In het eerste semester van 2009 wordt de aanbesteding voor het bouwen gedaan. De bouwwerken zelf zullen starten in het najaar van 2009, om te eindigen begin 2012. In principe moet de instelling dus operationeel zijn in 2012. Ook de instelling te Antwerpen is voorzien om operationeel te zijn tegen 2012. Deze zal 120 plaatsen tellen. Naast de instellingen in Gent en Antwerpen die een hoge beveiligingsgraad vereisen, is er voor de twee volgende jaren al een uitbreiding gepland van 45 PVTbedden per jaar in de externe zorgcircuits. Inmiddels, zoals ik heb gezegd, zijn ook de onderhandelingen gestart met mijn collega van Volksgezondheid voor nog bijkomende plaatsen PVT en beschut wonen en over een forensische behandelnorm met specifieke erkenningsvoorwaarden die moet toelaten een structureel karakter te geven aan de opvang van de geïnterneerden. Deze zal op termijn het huidige systeem met proefcontracten kunnen vervangen en een meer duurzaam karakter geven. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Is er een timing om de knopen door te hakken? Ik begrijp dat u uw visie geeft, de maximale visie waarbij aan twee voorwaarden moet worden voldaan. Ik denk dat dit zijn budgettaire consequenties heeft. Is er in een timing voorzien waarbij u stopt met onderhandelen en samen een beslissing neemt of hoe is dat afgesproken? Minister Jo Vandeurzen: Om eerlijk te zijn, de kwestie is nog iets complexer want ook met de Vlaamse Gemeenschap zal daarover moeten worden gesproken. Ook daar zijn er contacten gelegd om na te gaan hoe wij tot een principiële optie kunnen komen. Het zal u wel duidelijk zijn dat dit ook een heel belangrijke optie is. Wij zeggen dat interneringen zich in hoofdzaak situeren binnen Volksgezondheid. Ik meen dat onder andere het rapport-Cosyn dit ook aangeeft. Dit heeft een aantal consequenties. Wij gaan proberen dit de volgende weken te behandelen eens we weten wie de bevoegde minister zal zijn. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): U blijft toch op uw stoel zitten? Minister Jo Vandeurzen: U mag altijd een suggestie doen aan de formateur. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik ben u al een beetje gewoon.
|
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de vice-eersteminister en minister van Begroting, Mobiliteit en Institutionele Hervormingen over "de levering van de treinstellen voor het Gewestelijk Expresnet" (nr. 2900). In opbouw |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de gevangenis in Hasselt" (nr. 2767) Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, in het weekend van 12 en 13 januari, u zult zich dat herinneren, deden zich een aantal incidenten voor met bezoekers in de gevangenis van Hasselt waarbij cipiers blijkbaar gewond werden. Dit leidde tot beroering bij de cipiers. De voornaamste eis van de cipiers was een aanpassing van de bezoekregeling, die volgens hen nu te laks zou zijn. Daarnaast vroegen zij ook maatregelen om de agressie en conflicten te verminderen en de tuchtprocedure voor gedetineerden eventueel te herzien. Na overleg in uw beleidscel op 15 januari gaf u hieraan gunstig gevolg. Ik verwijs hiervoor naar de persberichten, niet alleen in – hoe heet die ook weer – Het Belang van Limburg, maar ook in andere. Ik ben gewoon van de Krant van West-Vlaanderen te lezen, vandaar. Aangezien niet alleen Het Belang van Limburg, maar ook de Gazet van Antwerpen tot bij ons worden gelezen, zou ik niet durven om een ondertoon te voeren. Ik ken de machten in dit land. Dit gezegd zijnde, kom ik tot mijn vragen. Gelet op de betrouwbare bronnen die hebben gezegd dat u op 15 januari beloftes hebt gedaan of hebt laten doen, wat hebt u ondertussen ondernomen om tegemoet te komen aan de eisen van de cipiers in Hasselt? Is er, zoals werd beloofd, reeds een nieuwe bezoekregeling van kracht in de gevangenis van Hasselt? Zoniet, wanneer komt die er? Welke aanpassingen zullen er worden aangebracht aan de bezoekregeling? Kan men ondertussen de veiligheid van de cipiers in Hasselt garanderen? Mijn bijkomende vraag is de volgende. Zult u voldoende lang minister van Justitie zijn om dit te realiseren? Minister Jo Vandeurzen: Ik zal eerst op het belangrijkste deel van de vraag van de heer Landuyt antwoorden. Ik krijg net een geruststellend sms-bericht van Joëlle Milquet binnen: “J’ai démenti l’article du Tijd. Ils n’ont même pas appelé ici". Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ze heeft weer neen gezegd. Minister Jo Vandeurzen: Over de problemen die zich voordeden in de gevangenis van Hasselt en de maatregelen die zouden worden genomen, gaf ik op 15 en 22 januari enige toelichting. Na het overleg met de vakorganisaties op mijn kabinet enkele dagen na de incidenten, is er een lokale werkgroep opgericht waarbij de directie, medewerkers en vakbondorganisaties betrokken waren. Er werden in de weken die volgden op de problemen, al wijzigingen doorgevoerd aan de regeling van de wandeling. Zo werd het tijdstip daarvan verschoven van de avond naar de dag voor sommige categorieën van gedetineerden. Op die manier zijn de wandelingen voortaan beter gespreid. De bezoekers waartegen door een personeelslid klacht werd ingediend, hebben de gevangenis van Hasselt niet meer bezocht. De betrokken gedetineerde voor wie ze op bezoek kwamen, vertoefde trouwens niet meer in de gevangenis van Hasselt. Van de problemen die door de bezoekers werden veroorzaakt, wordt akte genomen op de fiche van de bezoeker in het Accesprogramma. De bezoekregeling te Hasselt werd in haar geheel geëvalueerd. Er werd overwogen of de regeling van de glijdende bezoektijden diende te worden vervangen door een andere met vaste tijdblokken. De werkgroep kwam tot de conclusie dat dat meer nadelen dan voordelen zou opleveren. Er werd dan ook geopteerd om het systeem van glijdende bezoektijden te behouden. Ook de vertegenwoordigers van de vakorganisaties gingen hiermee akkoord. Er zijn wel enkele aanpassingen van de bezoekregeling in het vooruitzicht. Zo zal voor het toezicht in de bezoekzaal een beurtrol worden ingericht om te vermijden dat een medewerker acht uur ononderbroken die post moet waarnemen. De toegangscontrole voor bezoekers wordt geregeld door de ministeriële rondzendbrief van 1 maart 2002, die bepaalt dat alle bezoekers zich dienen te onderwerpen aan een identiteitscontrole en een metaaldetectorcontrole. Hun bagage wordt met een elektrische scanner gecontroleerd. Wat het agressiefenomeen betreft, wil ik vooreerst aangeven dat de incidenten van 12 januari 2008 zich gelukkig niet hebben herhaald. Conflicten met de bezoekers doen zich wel vaker voor, maar de agressieve escalatie toen in de gevangenis van Hasselt had toch een uitzonderlijk karakter. Bezoekers die de orde verstoren of zich agressief gedragen, kan door de gevangenisdirectie de toegang tot de gevangenis voor kortere of langere termijn worden ontzegd. Er kan desgevallend ook worden gesanctioneerd door het bezoek achter glas te laten plaatsvinden. Wat de opvang van de medewerkers die het slachtoffer zijn van een kritisch incident of van intimidatie betreft, zijn er aan elke gevangenis opvangteams verbonden van personen die daartoe speciaal zijn geselecteerd en opgeleid. De slachtoffers van de incidenten te Hasselt hebben hun tevredenheid geuit over de wijze waarop zij werden opgevangen. Dat neemt niet weg dat zowel de infrastructuur als de werkprocedures voldoende garanties moeten bieden. Die werden inmiddels geëvalueerd. Penitentiaire medewerkers van de gevangenissen worden ook getraind in het omgaan met conflicten en agressie. Penitentiaire beambten die posten bekleden bij de toegang of in de bezoekafdeling, ontvangen een vijfdaagse opleiding, die zowel bestaat uit een technisch deel, waarbij men de detectieapparatuur correct leert hanteren, als uit een luik waarbij men onder andere wordt getraind in het omgaan met bezoekers die zich agressief gedragen. Beginnende penitentiaire beambten ontvangen ter gelegenheid van hun drie maanden durende basisopleiding ook een training in het omgaan met conflicten en in zelfverdedigingstechnieken. Later op de werkvloer krijgen zij voortgezette training van daartoe gevormde interne trainers. Alle leidinggevenden, dat wil zeggen de kwartierchefs en de penitentiaire assistenten, werden in de loop van 2006 en 2007 eveneens gedurende 5 dagen getraind in de conflict- en agressiehantering. Bij deze opleiding wordt het zogenaamd 5 fasen model gehanteerd dat voorschrijft dat conflicten worden benaderd volgens een schaal die gaat van dialoog tot het gebruik van dwangmiddelen. Het veiligheidsaspect van het penitentiair personeel heeft veel facetten waaraan continu aandacht wordt besteed. Het is ook een aangelegenheid die aan de orde is op het regelmatig overleg tussen de directie en de vakbonden. Aan elke gevangenis is ook een preventieadviseur verbonden. In 2006 en 2007 voerden zij in elke inrichting een risicoanalyse uit waaraan medewerkers van alle diensten hebben meegewerkt en waarvan het rapport werd besproken door de basisoverlegcomités.
|
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Binnenlandse Zaken over "de gerechtelijke achterstand bij de Raad van State" (nr. 2755). In opbouw |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de werking van de Staatsveiligheid en meer in het bijzonder de samenwerking met de federale regering, met het OCAD en met informanten" (nr. 2653). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, ik heb drie inleidende puntjes. In eerste instantie denk ik dat de media goed gevoed worden in dit dossier. Dat wijst erop dat er wellicht een strijd bezig is tussen verschillende diensten. Dit zou u zorgen moeten baren. Ik hoop dat u de informatie niet laat kanaliseren door dergelijke gerichte lekken waarvan ik de indruk krijg dat het goed geïnformeerde lekken zijn. Er is in ieder geval iets aan de hand en u zult iets moeten doen. Ten tweede vind ik het storend en onrustwekkend dat wij in deze de chef van de Inlichtingendienst niet horen. Waarom is dit storend? Omdat de informatie zo flagrant is dat er een officieel tegenantwoord moet komen. Misschien is er een probleem van strafrechtelijke aard in hoofde van het hoofd van de dienst. U weet dat in het kader van de werking van het Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse, OCAD, in de nieuwe wetgeving van 2006 een strafrechtelijke verplichting bestaat om minstens die directeur de juiste informatie te geven. Anders werkt uw systeem niet. Nogmaals, het feit dat we zoveel kunnen lezen in de pers, wijst er op dat ten gronde op het werkveld een strijd bezig is tussen diensten. De Veiligheid van de Staat is misschien de laatste burcht voor de democratie, die nog een keer zou moeten worden gecontroleerd. Vroeger hadden wij in het kader van de zogenaamde onafhankelijkheid van het gerecht weinig recht om informatie te krijgen. Dat is gelukkig een stuk doorbroken. Nu staat er nog de Veiligheid van de Staat waar men direct schermt met de geheimhouding. Ik hoop dat dit niet officieel is, maar ik heb de indruk dat uw partijgenoot, senator Vandenberghe, wordt vooruitgeschoven om alles te kalmeren. Ik bewonderde zijn deskundigheid een jaar geleden omdat hij toen veel betere informatie verstrekte dan nu. Nu is het bijna normaal dat wij van niets weten, terwijl de pers en dus de publieke opinie wordt geïnformeerd over de strijd van de diensten. Ik meen dat er nood is aan een officieel antwoord. Het ergste dat u nu zou kunnen zeggen, is dat Comité I een onderzoek zal instellen waarna senator Vandenberghe zich daarover zal buigen met zijn collega's en wij voor het overige niets mogen weten. Dat is niet onze democratie. Er is nood aan een paar rechtzettingen. Ik wil daarom een twaalftal vragen stellen. Daarvan vervallen er een paar volgens de hypothese. Voor het eerst hebt u de kans om officieel te zeggen dat het niet waar is. Het beste antwoord zou zijn dat dit quatsch is en dat een dergelijk figuur nooit een informant is geweest. Dan kunnen we naar huis. Ten tweede, als hij echter wel informant is geweest, klopt het dan dat betrokkene een informant was van een medewerker in het Gentse, en niet meer dan dat? Een derde vraag in een dergelijke hypothese is of de nationale leiding ervan op de hoogte was dat ze met een dergelijke – als we de pers mogen geloven interessante – informant aan het werken was? Ten vierde, indien dat niet het geval is, als de nationale leiding daarvan dus niets wist, is dit normaal? Ik hoorde gisteren senator Vandenberghe zelf zeggen dat het normaal is dat men binnen de diensten van niets weet. Ten vijfde, indien de nationale leiding er wel vanaf wist, waarom heeft de leiding van de Veiligheid van de Staat dat niet meegedeeld aan de collega's van het OCAD dat precies was voorzien om ervoor te zorgen dat wij alle informatie bijeenkregen. Dat is een grote verantwoordelijkheid. We zijn ook in België bezig met terrorismebestrijding. Het is essentieel dat men alle informatie krijgt. Ten zesde, werden er ondertussen al gegevens bezorgd aan het federaal parket, dat een onderzoek heeft opgestart, of moet het die gegevens in Marokko halen en dit ondertussen in de pers volgen? Mijn vraag is of u nu officieel zeker bent dat de Veiligheid van de Staat haar informatie heeft doorgegeven aan het parket, of is het lek dat momenteel de kranten voedt de andere weg om die informatie door te geven aan het parket? Ten zevende, was degene die de betrokkene als informant heeft aangetrokken, op de hoogte van de activiteiten van deze persoon? Aan welke regels moet men zich houden bij het aanstellen van een informant? Uw voorhoeder, senator Vandenberghe, zegt dat er weinig regels zijn en dat we ze zelfs niet mogen kennen. Ik denk dat we echt een stap verder naar informatie moeten zetten. Kan het volgens de geldende regels dat een dergelijk figuur als informant wordt aangesteld en betaald? Zo neen, wie is verantwoordelijk voor het niet naleven van de regels? Hoe ver gaat de verantwoordelijkheid in de hiërarchie voor het bestaan van dergelijke toestanden? Zo ja, dienen deze regels dan te worden aangepast om te vermijden wat vandaag is gebeurd? Met mijn twaalfde en laatste vraag loop ik een beetje vooruit op interpellaties die nog zullen volgen. Gaat u ervan uit dat kan worden overgegaan tot de orde van de dag? Minister Jo Vandeurzen: Ik dank de collega’s voor de vragen. Misschien eerst in het algemeen. Er kan uiteraard niet worden overgegaan tot de orde van de dag. Daarvoor zijn de zaken die aan het licht komen te ernstig. Het gaat over de veiligheid in onze samenleving. Het gaat over de vraag hoe diensten functioneren. Het is evident dat het Parlement het recht heeft om ter zake de controle uit te oefenen die moet worden uitgeoefend. Het is aan de minister van Justitie om binnen zijn wettelijke bevoegdheden na te gaan wat er is gebeurd, wat er eventueel is misgegaan en wat daaruit voor de toekomst moet worden geleerd? Verre van mij om hier te banaliseren of de indruk te wekken dat dit geen verhoogde aandacht vraagt. Ik voeg er tegelijkertijd iets aan toe dat voor mij fundamenteel is. Het zal trouwens niet de eerste of enige keer zijn dat ik dit zal zeggen indien ik voor dit soort zaken voor de commissie moet komen. Er zijn inderdaad blijkbaar veel lijken maar mijn manier om de problematiek te benaderen – enerzijds de wetgever en de publieke opinie het recht geven op controle, inzicht geven in wat er is gebeurd en welke lessen daar eventueel uit moeten worden getrokken, en anderzijds kijken hoe we erover kunnen waken dat onze diensten efficiënt werken – ga ik niet dusdanig organiseren zoals zij die de lekken misschien hebben georganiseerd, graag zouden willen. Ik ga dat niet doen op een manier waarbij ik fundamenten van onze rechtsstaat in het gevaar of in diskrediet breng. Ik ga dat doen door mij scrupuleus te houden aan dat wat ook wettelijk ter zake is bepaald en binnen de grenzen die mij daarvoor door de wet worden toegestaan. Dat alles is niet gemakkelijk omdat ik er langs de ene kant absoluut van overtuigd ben dat wij moeten nagaan wat er is gebeurd, dat wij klaarheid moeten scheppen en dat wij moeten kijken welke verantwoordelijkheden er zijn, en aan de andere kant moeten wij ervoor zorgen dat daardoor de efficiëntie van onze diensten en de goede werking van alles wat met de handhaving van de veiligheid heeft te maken niet in het gedrang komt. Zeker in situaties als deze waarin wij te maken hebben met geheimhoudingsplicht, zijn beiden niet eenvoudig te verzoenen. U zult mij vinden aan de kant waar wordt getracht dat verzoeningsproces mogelijk te maken. Bij het vernemen van de arrestaties in Marokko van onder andere Belliraj, heb ik als minister binnen het raam van mijn bevoegdheden uiteraard onmiddellijk navraag gedaan over de uitwisseling van de informatie in deze zaak. Daaruit is gebleken dat verschillende personen die in Marokko zijn aangehouden en worden verdacht te behoren tot een terroristisch netwerk, in het verleden reeds de aandacht hebben getrokken van de inlichtingendiensten in België vanwege hun activiteiten binnen pro- Iraanse Marokkaanse middens en/of van hun activiteiten binnen Algerijns Marokkaanse islamitische bewegingen of van hun uitgesproken houding tegenover de Marokkaanse regering. U weet allemaal, het is belangrijk om daaraan nogmaals te herinneren, dat het behoort tot de wettelijke opdrachten van de inlichtingendiensten om zich te informeren over de rol van bepaalde personen en de activiteiten die zich binnen dergelijke groeperingen afspelen. Om deze informatie te bekomen, maakt men bijna uitsluitend gebruik van menselijke bronnen. Wij komen straks nog terug op de zogenaamde BIM-wetgeving, maar momenteel zijn de diensten hoofdzakelijk op menselijke bronnen aangewezen. De inlichtingendiensten kunnen volgens artikel 18 van de organieke wet van 30 november 1998 een beroep op menselijke bronnen doen. In dat geval moeten de diensten waken over de veiligheid van de gegevens die op de menselijke bronnen betrekking hebben en over de inlichtingen die ze meedelen. Inlichtingen met betrekking tot de menselijke bronnen vallen, zoals trouwens bij elke inlichtingendienst – daarin zij wij echt niet uniek – onder de classificatie "zeer geheim". De geheimhouding valt onder de wet van 18 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Anderzijds is de wet van 30 november 1998 houdende de regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, meer bepaald artikel 43, §3, van toepassing, wat inhoudt dat er noch een bevestigend noch een ontkennend antwoord kan worden gegeven op de vragen in verband met de ingeschreven informanten van de Veiligheid van de Staat. Dat is een standpunt dat ik uiteraard zal respecteren. Het is een wettelijke regel en het is evident dat die in alle algemene termen is geïnspireerd door het wezen van het systeem zelf. Zodra daaraan afbreuk wordt gedaan, zijn mensen in gevaar, is het systeem in gevaar en is zelfs het functioneren van deze diensten in het algemeen niet meer realistisch. Het is dus niet toegelaten om daarover informatie te verstrekken. Het is ook niet toegelaten dat informanten van de Veiligheid van de Staat ter compensatie voor hun inlichtingen niet zouden worden vervolgd indien zij betrokken zouden zijn bij het plegen van misdrijven. Uiteraard kan dat niet. Daarop zal ik in het slot van mijn algemene beschouwing nog terugkomen. Tot slot herinner ik er u aan dat er strenge interne regels bestaan over het rekruteren en het behandelen van menselijke bronnen en worden er op regelmatige basis evaluaties gedaan over de bronnen en de door hen verstrekte inlichtingen. Het is evident dat ter zake de nodige professionaliteit aan de dag moet worden gelegd. Ik zou eerst even willen ingaan op de vergadering van 20 februari 2008 van het College voor Inlichtingen en Veiligheid, een uitzonderlijk bijeengeroepen en beperkt college. Op deze vergadering waren alleen de diensten aanwezig die rechtstreeks met deze zaak te maken hebben en waren alleen de mensen aanwezig die in het bezit van veiligheidsmachtiging zijn en worden verondersteld de regels en de wetgeving in verband met de classificatie te respecteren. De Veiligheid van de Staat heeft tijdens deze vergadering een overzicht gegeven van de gegevens waarover zij beschikten, met inachtneming van de beperkingen die haar werden opgelegd in de geldende wetgeving. In artikel 43, §3, van de organieke wet van 1998, van toepassing op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, staat dat de identiteit van iemand die samenwerkt met de inlichtingendienst en die verzoekt om anonimiteit niet kenbaar mag worden gemaakt. Een inbreuk op deze maatregel kan gerechtelijke gevolgen hebben. Daarom is het onmogelijk om op een dergelijke vergadering een positief of negatief antwoord te geven op dit type van vraag. Het is niet uitgewezen dat gedurende de terrorismedreiging van december 2007 de Veiligheid van de Staat informatie heeft achtergehouden. Ook daarover is het Comité I gevraagd om een onderzoek te doen en ik heb begrepen dat het binnenkort zal worden afgerond. Dat onderzoek is geopend, we hebben daarover met het begeleidingscomité een vergadering gehad en aan dat onderzoek heeft de Veiligheid van de Staat zijn volledige medewerking gegeven. Wat de aanhoudingen in Marokko betreft, werden de gerechtelijke autoriteiten op de hoogte gebracht op 19 februari laatstleden. Op hun beurt werden ze praktisch gelijktijdig op de hoogte gebracht door zowel de Veiligheid van de Staat als de federale politie. Het hoofd van de Veiligheid van de Staat, de heer Winants, heeft met betrekking tot de aanhouding van deze persoon in Marokko de bevoegde diensten en personen in België onmiddellijk ingelicht volgens het principe “need to know”. Algemeen kan worden gesteld dat de gegevens in verband met de modus operandi van een inlichtingendienst niet het voorwerp kunnen uitmaken van een debat in plenaire vergadering of in commissie. De wetgever heeft opzettelijk voorzien dat de controle op de bescherming van de Staat en de wet met betrekking tot de personen evenals op de coördinatie en de doeltreffendheid van de inlichtingendienst, uitgeoefend wordt via het Comité I. Dat is uitdrukkelijk zo voorzien. U hebt recht op die controle, de mensen hebben recht op die controle, maar daarvoor is een formule in de wet vastgelegd, met name het Comité I, een instantie die afhangt van de wetgevende macht, niet van de uitvoerende macht. Dit Comité wordt op zijn beurt opgevolgd door een parlementaire opvolgingscommissie. Ik neem aan dat u het systeem voldoende kent. Deze maatregelen zijn door de wetgever voorzien om de goede werking van de inlichtingendiensten niet te bedreigen, maar dat toch te verzoenen met het fundamenteel recht opcontrole dat aan u is toevertrouwd. Ingevolge de zeer verontrustende persberichten, zowel vanuit Marokko als bij ons, en de rol van Belliraj in deze aangelegenheden, heb ik hierover aan het Comité I een diepgaand onderzoek gevraagd. Als dat onderzoek is afgerond of als de geheimhouding niet langer is vereist, zal ik u daarover uiteraard uitvoerig inlichten. Het Parlement zal trouwens rechtstreeks door het Comité worden geïnformeerd. Belliraj trok in de jaren tachtig de aandacht van de Veiligheid van de Staat door zijn oppositie tegen het Marokkaanse regime en daarna door zijn betrokkenheid in islamitisch-Marokkaanse middens. Zijn eventuele betrokkenheid in een terroristisch netwerk, waarover we vandaag van alles lezen, berust tot op heden – op basis van onze informatie – op verklaringen van de Marokkaanse autoriteiten. De Veiligheid van de Staat zegt over geen enkele inlichting te beschikken die haar zou toelaten te veronderstellen dat Belliraj bezig was met politiek-terroristische activiteiten in Marokko. Wat Belliraj betreft zijn er door de Veiligheid van de Staat inderdaad inlichtingen bezorgd aan de gerechtelijke autoriteiten in verband met de milieus waarin betrokkene zich ophield. Zoals ik u reeds vorige week heb meegedeeld is Belliraj op 30 juni 2000 Belg geworden door toepassing van de wet van 1 maart 2000 en heeft de Veiligheid van de Staat toen een advies geformuleerd aan de procureur des Konings dat betrokkene door haar diensten was gekend in het kader van zijn activiteiten binnen de Algerijns-Marokkaanse islamitische bewegingen en binnen pro-Iraanse Marokkaanse middens. Ik zal niet de enige zijn die zich daarover vragen stelt. Dit gezegd zijnde, bij mijn weten genoot Belliraj geen bescherming. De insinuaties of de beweringen als zou daar een deal zijn gemaakt, kan ik dus absoluut niet bevestigen. De huiszoeking waarvan sprake is niet uitgevoerd op vraag van de Marokkaanse autoriteiten of van een onderzoeksrechter maar kwam er op vraag van het federaal parket en met de toestemming van de echtgenote van Belliraj. Thans verblijft een team van de federale politie in Marokko om de eerste gegevens in haar bezit te vergelijken met de door de Marokkaanse politie ter beschikking gestelde informatie. Voorlopig is het dus wachten op hun terugkeer en de resultaten hiervan. Wat betreft de vraag omtrent Albert Raes, volgens de inlichtingen waarover ik beschik is deze niet betrokken bij dit dossier. In het algemeen, sinds mijn aantreden als minister van Justitie heb ik moeten vaststellen dat de kritieken op de Veiligheid van de Staat mij noodzaken tot een grondige evaluatie en bijsturing van de inlichtingendienst. Ik heb dus ook niet stilgezeten om deze dienst te doen beschikken over een beter instrumentarium en om hem te hervormen tot een efficiënte dienst. Dat gebeurde trouwens niet naar aanleiding van de laatste onthullingen. Daartoe heb ik reeds van bij de aanvang het ontwerp van BIM-wetgeving aan een evaluatie en verbeteringen onderworpen. Dit wetsontwerp zal op korte termijn terug het onderwerp uitmaken van parlementaire besprekingen. Verder heb ik destijds, na de eerste terreurdreiging rondeNieuwjaarsperiode, het initiatief genomen om een rapportagemodel uit te werken op basis waarvan het toezicht op de noodzakelijke informatie-uitwisseling kan worden verbeterd. Inderdaad, minstens het doorgeven van informatie over strafbare feiten dient op grond van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering aan een systematisch toezicht te worden onderworpen waarbij een goede coördinatie van deze inlichtingenuitwisseling zich opdringt. Dat thema, deze problematiek, zal des te belangrijker worden naarmate bijvoorbeeld ook de BIM-wet zou worden geïmplementeerd waarbij bijzondere inlichtingenmethodes ter beschikking worden gesteld van de dienst Veiligheid van de Staat. De vraag op welk moment deze diensten – en het gaat niet alleen over de Veiligheid van de Staat – informatie moeten doorgeven aan de gerechtelijke autoriteiten is pertinent. Het is mijn overtuiging – nogmaals, ik heb dat initiatief genomen en deze briefwisseling gevoerd voor de laatste dagen deze incidenten aan het licht kwamen – dat wij daarvoor een sluitend systeem moeten ontwikkelen. Naarmate wij meer bijzondere opsporings- en inlichtingenmethode ontwikkelen is dat des te noodzakelijker. Wat betreft het huidig terrorismedossier heb ik mij uitgebreid schriftelijk en mondeling laten inlichten door de adminstrateurgeneraal van de Veiligheid van de Staat en heb ik onmiddellijk, op vrijdag 29 februari, het Comité I mondeling gevorderd een grondig toezichtonderzoek te voeren bij de inlichtingendiensten. Ik heb gisteren de betrokkenen ontvangen om daaromtrent de nodige werkafspraken te maken. Ik kan u bevestigen dat ik dat ook schriftelijk in een opdracht heb bevestigd, niet alleen in een opdracht die uitgaat van mij, maar ook van collega Pieter De Crem, omdat zij dus over de veiligheidsdiensten gaat, naar aanleiding van deze feiten. Mijn conclusie is de volgende. Ik zal uiteraard alles doen wat nodig is om de goede werking van de dienst te verzekeren. Ik zal met grote belangstelling het rapport van het Comité I afwachten en daaruit de nodige conclusies trekken. Ik zal ook niet aarzelen om die conclusies te trekken. Ik neem aan dat door snel en ondubbelzinnig het Comité te vragen dat onderzoek te doen, ook de beste weg gekozen is om het Parlement de informaties te geven waarop het recht heeft. Het is de beste manier om de controleopdrachten die op dit Parlement berusten, op dit moment te kunnen uitoefenen. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, ik ben iets positiever. De minister was creatief in zijn antwoord. Hij wees op de geheimhoudingsplicht die echter voor ambtenaren en nooit voor een minister in het Parlement geldt. Door toe te geven dat er inderdaad veel lekken zijn, geeft hij ook toe dat veel van wat wij lezen, juist is. Dat baart ons, samen met de minister, zorgen. Mijnheer de minister, in het kader van de geheimhoudingsplicht en van de wetgeving die u citeerde, wil ik toch wijzen op de wet op het OCAD, die ik zelf mee kon ondertekenen. In voornoemde wet staat duidelijk tegenover de geheimhoudingsplicht in een latere wet heel specifiek een mededelingsplicht. U hebt hier dus een probleem voor de leiding van de inlichtingendienst. Dat was ook ons probleem bij het terreuralarm. Het is een probleem van gebrek aan mededeling. Degenen die laten uitlekken geven betere informatie dan de officiële medewerkers van de inlichtingendienst. Dat is een probleem. Bijgevolg kan niet, ook niet inzake de manier van opvolging van de activiteiten van de inlichtingendiensten, tot de orde van de dag worden overgegaan. Overgaan tot de orde van de dag is immers het klassieke antwoord. Het Comité I is er en de begeleidingscommissie is er. Ook senator Vandenberghe is er. Ik vind u op het vlak van informatieverstrekking veel beter dan senator Vandenberghe. U hebt veel meer bevestigd dan voornoemde parlementair ter zake al heeft gedaan. De grote boodschap is dat er nood is aan een reorganisatie van onze inlichtingendienst. De geheimhoudingsplicht staat, in de huidige, moderne tijden van transparantie, inderdaad onder druk. Ik zal de minister dan ook steunen in zijn hervormingsinitiatieven. Ondertussen zal ik mij echter niet laten afremmen in mijn parlementair controlerecht. Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, ik wil toch nog een paar zaken verduidelijken. Ik blijf herhalen dat ik het, net zoals u, een ernstige zaak vind. Wij zullen dus inderdaad niet lichtzinnig over de kwestie mogen gaan. Mijnheer Landuyt, u mag mij geen woorden in de mond leggen of intenties zoeken achter mijn woorden. Dat is niet nodig. Met uw algemene, politieke benadering ben ik het wel eens. Geven de betrokkenen de informatie aan OCAD en aan de gerechtelijke autoriteiten? Er zijn dus twee verplichtingen om te informeren. Dat zijn niet alleen verplichtingen voor de Veiligheid van de Staat, maar voor iedereen die met informatie te maken heeft, zoals de douane, die aan OCAD informatie moet geven. Er zijn meerdere diensten die onder voornoemde verplichtingen vallen. Functioneert dat systeem? Dat is een heel pertinente vraag. Justitie en de informatie aan de gerechtelijke autoriteiten interesseert mij het meest of houdt mij het meest bezig, hoewel het andere even relevant is. Dat betwist ik niet. Niettemin gaf ik u al aan dat het naar mijn aanvoelen weinig zin heeft om een wet op de bijzondere inlichtingenmethoden te maken of over de bijzondere opsporingsmethoden in de proactieve fase te debatteren, zolang wij er in ons land niet voor zorgen dat wij over een systeem beschikken, waardoor wij als uitvoerende macht en u als wetgevende macht zeker kunnen zijn dat, indien informatie moet worden gedeeld of gecommuniceerd, het op de juiste manier gebeurt. Ik zeg dat niet naar aanleiding van deze zaak. Ik heb u zeer uitdrukkelijk gezegd dat ik de initiatieven ten opzichte van de dienst Veiligheid van de Staat – concreet omdat die onder mijn bevoegdheid valt – heb genomen vóór ik eind vorige week werd gevat door de informatie die mij bereikte via de media. Dat is een algemeen politiek thema waarover wij zullen moeten spreken. Het heeft weinig zin om allerlei methoden van inlichtingenverzameling te verbeteren, controles daarop uit te oefenen, als wij ook niet zeggen hoe er omtrent de inlichtingen waarover men beschikt, op een bepaald moment keuzes moeten worden gemaakt, verantwoordelijkheid moet worden opgenomen, enzovoort. Dat is volgens mij absoluut belangrijk. Voor de parlementaire controle kan ik alleen maar vaststellen dat er een regelgeving bestaat volgens dewelke de parlementaire controle op het werk van inlichtingendiensten op een welbepaalde manier wordt uitgeoefend. Dat is een methode om een verzoening tot stand te brengen met het controlerecht, zonder mensen in gevaar te brengen en zonder de goede werking van diensten in gevaar te brengen. U mag gaan kijken naar elk parlement in de wereld, maar u zult merken dat overal een aantal principes van geheimhouding, dus ook door het Parlement, moeten worden geaccepteerd. Dat is overal zo. In die zin, omdat ik goed besef dat u recht hebt op die controle, dacht ik dat het beste dat kon gebeuren was om geen moment twijfel te laten over het feit dat die controle in deze zal worden uitgeoefend. Het feit dat vrijdag die gegevens beschikbaar waren en ik gisteren met mijn collega de opdracht formeel reeds heb gegeven, de contacten zijn gelegd en iedereen in stelling is gebracht om dat onderzoek te doen, kan alleen maar aantonen, in alle bescheidenheid, dat, wat mij betreft, de medewerking aan dat onderzoek waar het Parlement recht op heeft, ten volle zal gebeuren. Wij zullen dan zien wat de resultaten zijn. Dat zal mij echter, in alle duidelijkheid, ondertussen niet beletten om een aantal zaken die mij bezighouden op te lossen. In dat verband denk ik bijvoorbeeld aan de implementatie van een BIN-net en de manier waarop wij zeker zijn dat informatie aan de gerechtelijke autoriteiten zal worden gegeven als men met die nieuwe methode wellicht veel meer informatie zal kunnen verzamelen. Dat zullen wij ondertussen behandelen. Wij zullen dat uiteraard in het Parlement bespreken. Het is evident dat zulks het voorwerp moet uitmaken van het debat in het Parlement. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de huurwaarborg" (nr. 2132). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, dit is een kleine vraag in het kader van de continuïteit van het beleid. Zoals u weet, trok eind vorig jaar, 2007, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten aan de alarmbel, wat het naleven van de nieuwe huurwet door de banken betreft. U weet dat de wet banken ertoe verplicht de huurwaarborg van hun klanten voor te schieten. In de praktijk blijkt echter dat sommige banken daar hun voeten aan vegen, door onbetaalbare dossierkosten aan te rekenen of door geïnteresseerden bijna automatisch naar het OCMW door te verwijzen. In de commissie voor de Justitie van 4 december verklaarde uw voorganger en collega-minister Laurette Onkelinx dat zij hieromtrent op 18 december overleg zou plegen met de banksector en de OCMW’s. Dat was drie dagen voor het einde van de vorige regering. Heeft dit overleg nog inderhaast plaatsgehad? Hebt u kennis daarvan? Als dat zo is, wordt daarop verder gewerkt? Zult u zelf stappen ondernemen om de banken ertoe aan te zetten de wet na te leven? Minister Jo Vandeurzen: Mijn voorgangster heeft mij dit overleg niet gemeld. Ik ben er ook niet van op de hoogte gebracht door de banksector of de OCMW’s. Ik zal het opnieuw laten checken, maar ik ga ervan uit dat het overleg wellicht, door de omstandigheden, niet heeft plaatsgevonden. Daardoor wordt uw tweede vraag zonder voorwerp. Wat uw derde vraag betreft, er is een geding hangende voor het Grondwettelijk Hof tegen de bepalingen uit de nieuwe huurwet van 25 april 2007, meer bepaald ingespannen door verscheidene banken, net op het punt van de huurwaarborg. Hoewel de aanpassing van de huurwet niet tot de taken van de interim-regering behoort, zullen wij dit toch moeten doen, wanneer voor 23 maart 2008 zou blijken dat een wettelijke regeling ongrondwettig is. Het klopt dat de banken niet de enige speler zijn in dit verhaal. Het is inderdaad zo dat de wet zelf in drie systemen van waarborg voorziet – ik verwijs daarvoor naar artikel 10, §1, alinea 2 – namelijk ofwel een geïndividualiseerde rekening op naam van de huurder bij een financiële instelling, ofwel een bankwaarborg die het voor de huurder mogelijk maakt de waarborg progressief samen te stellen, ofwel een bankwaarborg ten gevolge van een standaardcontract tussen een OCMW en een financiële instelling. Het kan inderdaad zijn dat de banken, teneinde hun risico’s te dekken, huurders waarvan de solvabiliteit of kredietwaardigheid niet vaststaat, vrij snel doorverwijzen naar het OCMW. Dat het systeem mogelijkerwijze niet waterdicht was, werd al ingecalculeerd in de wet zelf, die op uitvoerige wijze in een evaluatie voorziet. Ik verwijs daarvoor naar de alinea van het nieuwe artikel 10, §1, van de woninghuurwet: “Na een evaluatie die zal plaatsvinden 1 jaar na het van kracht worden van dit systeem zal de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een openbare waarborg kunnen organiseren om de waarborgen te dekken die door de financiële instellingen werden toegekend aan bepaalde categorieën van huurders, die hij vaststelt volgens financieringsmodaliteiten die hij vaststelt.” Gelet op de gemiddelde behandelingstermijn van de zaken voor het Grondwettelijk Hof is het niet ondenkbaar dat een uitspraak in die zaak in dezelfde periode valt als de evaluatieperiode. Bovendien, gelet op de kritiek van zowel huurders- als verhuurderverenigingen, zou een evaluatie zich dan mede via een parlementair initiatief kunnen uitstrekken tot het eventueel opheffen van een ongrondwettige situatie en/of het verbeteren van het bestaande waarborgsysteem, en zelfs tot andere bepalingen van de huurwet. Ik heb trouwens nog al eens gesignaleerd dat het niet uitgesloten is dat wij hier op een bepaald moment niet meer bevoegd voor zullen zijn. Ondertussen lijkt het mij vooral aangewezen de evaluatie van de maand april af te wachten waarna hieraan dan uiteraard de nodige onmiddellijke aandacht zal moeten worden besteed. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, ik zal waarschijnlijk mede in naam van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten mijn ontgoocheling uitspreken over het feit dat de minister drie redenen noemt om niet op te treden. Ten eerste is er een procedure bezig voor het Grondwettelijk Hof. Het volstaat dus dat iemand een procedure voert voor het Grondwettelijk Hof opdat de wet niet moet worden uitgevoerd. Ten tweede behoort het niet tot de taak van de interim-regering. Dat is een niet-grondwettelijke redenering want het is niet de taak van de interim-regering die hier voor staat maar wel de plicht van een regering om te zorgen voor de naleving van de wet. Ik kom daar nog op terug in een andere vraag. Ten derde, dat men gaat wachten op de staatshervorming om nog iets te doen aan de huur is echt een cynische opmerking, wetend hoe vlug een en ander zal verlopen. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "het Belgisch diplomatiek offensief tegen de Maastrichtse coffeeshops aan de grens" (nr. 2131). Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, ziehier een paar elementen van antwoord. Het is inderdaad juist dat in de marge van de informele EU-Ministerraad voor Justitie en Binnenlandse Zaken in Ljubljana, collega Dewael en ik op 25 januari een gesprek hadden met de Nederlandse ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. Er zijn toen afspraken gemaakt om de discussie over de coffeeshops opnieuw in overleg te brengen. Dat zou gebeuren in het kader van het driehoeksoverleg, in Maastricht in Nederlands-Limburg, dat door de Nederlandse collega’s daarvoor zou worden georganiseerd. Vanuit Nederland heeft men zich toen geëngageerd om het overleg terug op gang te trekken. Dat is ook gebeurd. Onlangs heeft mijn Nederlandse collega mij bevestigd dat, wat hen betreft, er bereidheid was om op het niveau van de lokale bestuursverantwoordelijken overleg te plegen over de vraag van de Belgische burgemeesters uit de grensstreek en de Belgische provincies, om na te gaan op welke manier de inplanting van die coffeeshops kan worden vermeden. Het overleg daarover zal inderdaad terug worden opgestart. Ten tweede, er is een analyse aan de gang over mogelijke gerechtelijke procedures. Er zijn initiatieven genomen door een aantal lokale besturen zoals u weet, ook inzake vergunningen, ruimtelijke ordening, ruimtelijke planning en dat soort zaken. Wij hebben op het federale niveau daar nog geen opties in genomen, maar het is duidelijk dat als er zou worden gezocht naar een procedure of een gerechtelijke actie, ook vanuit de lokale besturen en eventueel te ondersteunen vanuit het federale niveau, het zou gaan over verplichtingen inzake goed nabuurschap in het kader van de uitvoeringsovereenkomst van het Schengenakkoord. Daarin zit de verplichting om bij het uitstippelen van zijn drugsbeleid geen effecten te hebben die het drugstoerisme kunnen faciliteren. Groeit dat probleem? Ik denk dat er een algemene erkenning is over de partijgrenzen heen en op alle bestuursniveaus in ons land en zeker voor de Belgische gemeenten nabij Maastricht, dat het probleem van het drugstoerisme wel degelijk een stijgend en steeds groter wordend probleem is. Inzake de drugsrunners met alle elementen van nietcannabisproducten en andere zaken die zich daarop enten, krijgen wij alleen maar signalen dat het probleem ernstig is en zeker niet in belang afneemt. Illustratief is misschien ook wel op dat vlak dat ook Nederlandse gemeenten uit het gebied rond Maastricht die ervaring delen en zich eveneens verzetten tegen het coffeeshopbeleid van de burgemeester van Maastricht, omdat zij er ook van overtuigd zijn dat het wat hun betreft ongewenste overlasteffecten met zich mee zal brengen. Dan zijn er uw suggesties inzake gerechtelijke acties. Ik wil dat wat nuanceren. De burgemeester van Maastricht zou het liefst hebben dat wij ons inschakelen in een gemeenschappelijke actie ter beheersing van het overlastprobleem dat coffeeshops met zich meebrengen. Hij heeft trouwens al meerdere keren aangeboden om daarin samen te werken. Dat is natuurlijk niet de positie van de Belgische grensgemeenten. Zij geven er de absolute voorkeur aan dat het plan van de burgemeester om die coffeeshops daar in te planten niet doorgaat. Uiteraard zijn er gerechtelijke acties en de acties waarnaar u hebt verwezen. Dat zijn acties die passen in de normale zonale prioriteiten en die niet onmiddellijk en rechtstreeks aan het initiatief van burgemeester Leers zijn verbonden. Het is evident dat op het ogenblik dat wij weten wat de definitieve toestand is wij via de parketten enzovoort onze normale acties zullen ondernemen. Dat geldt trouwens niet alleen voor de grensgemeenten in Belgisch Limburg, maar in het algemeen met betrekking tot het drugstoerisme en de drugstrafiek in ons land. Wij hebben een aantal vergaderingen met de Belgische burgemeesters uit de grensstreek meegemaakt. Ik had de indruk – ik denk dat dit een breed gedragen mening was – dat men absoluut koos voor het overleg veeleer dan voor unilaterale maatregelen van politionele of justitiële aard. Men geeft er dus echt de voorkeur aan om dit via overleg op te lossen. Dat betekent niet dat wij geen justitiële maatregelen zullen nemen, integendeel. Het is echter wel zo dat wij momenteel prioriteit geven aan het creëren van omstandigheden waarin dat overleg, dat voor de Belgische burgemeesters moet leiden tot het niet inplanten van die coffeeshops, een maximale kans krijgt. Wij zien in de pers vaak naar voren komen dat het drugstransport en het drugstoerisme in België in het algemeen een heel belangrijk probleem is. U mag verwachten dat dit van mij de nodige aandacht zal krijgen, maar hic et nunc zetten wij inzake het coffeeshopinitiatief van burgemeester Leers alles in op het overleg. Van onze Nederlandse collega's hebben wij immers duidelijk het signaal gekregen dat wij mogen rekenen op een zekere goodwill om aan de tafel te zitten. Wij moeten dat alle kansen geven. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mijnheer de minister, ik hoop dat u nog ergens cijfers hebt om dit fenomeen in beeld te brengen. Ik begrijp dat u ze niet bij hebt, maar het is altijd frustrerend om op illustraties voort te gaan en het beleid te steunen op wat men denkt te menen dat er gebeurt. Cijfers blijken niet voorhanden te zijn. Mijnheer de minister, u moet beseffen dat als u zich inpast in een overleg met de Nederlandse overheden u zich in hun gedoogbeleid inpast. Voor mij niet gelaten, maar u moet oppassen dat u, door geen handelingen te ondernemen, mee stapt in een andere dan de Belgische politiek inzake drugsbeleid. Het verwondert mij, uw verleden kennende, dat u nu alles op het overleg inzet. Overleg betekent dat er een basis is waarover wordt overlegd. De basis van het overleg is het bestaan van coffeeshops. Minister Jo Vandeurzen: Dat is iets te gemakkelijk natuurlijk. Dat de Nederlandse overheid 25 jaar geleden voor coffeeshops heeft gekozen, is hun historische verantwoordelijkheid. Dat zij vijf jaar geleden tot het inzicht zijn gekomen dat zij dat fenomeen moeten terugdringen en administratief moeten gaan beheersen, en dat dit heel wat effecten op ons land heeft, is uiteraard zo. Wij overleggen niet met Nederland over hoe zij intern hun drugbeleid moeten voeren. Wij overleggen met Nederland over het exporteren van de effecten daarvan en het pushen van het drugstoerisme wat voor het Belgische politieke beleid geen goede zaak is en dat wij dat niet willen. Dat is de inzet van het overleg. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de werking van het federaal parket" (nr. 2099). Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "de werking van het federaal parket" (nr. 1903). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik zal wat tijd voorbehouden voor mijn tweede vraag. Wat de beschrijving betreft van de aanleiding van een van mijn vragen over het federaal parket, kan ik mij aansluiten bij de vorige spreker. Er zijn evenwel nog een tweetal dossiers waarover ik vragen wil stellen. Ik schets voor de duidelijkheid eerst mijn uitgangspunt. Ik was er toevallig bij toen het federaal parket werd opgericht. Ik vond het goed om een federaal parket te hebben, maar ik waarschuwde voor het feit dat we wellicht een stukje politiegeschiedenis zouden herschrijven. Wat was mijn punt? Waarvan vang ik hier signalen op? We hebben op politieniveau ervoor gezorgd dat er één politiestructuur kwam met als bedoeling de bestaande concurrentie tussen rijkswacht, gerechtelijke en lokale politie te doorbreken. Die concurrentie had immers negatieve gevolgen voor steeds meer zaken. Plots was er een grote zaak en was heel het land in beroering. Er bleek een communicatieprobleem te zijn. Een deel van dat probleem was dat we drie soorten politiediensten hadden die onafhankelijk werkten en waarbij de informatie niet goed werd doorgegeven van de ene naar de andere dienst. Wij kunnen vandaag zeggen dat dit beter loopt met die nieuwe structuur. Nu zien wij echter het volgende. Op het hoger niveau van de vervolging hebben wij nu 27 lokale parketten en één federaal parket. Het federaal parket werd destijds toevallig opgesteld naar het model van het parket van Kortrijk op het vlak van aantallen. Men moest iets opstellen en men heeft dat toevallig als criterium genomen. Men nam Kortrijk, zonder dat er een echte basis was. Het was begrijpbaar dat men aan Kortrijk dacht, maar het was niet meer dan dat. Wij hebben dus een extra structuur, een 28ste parket gemaakt. Dat heeft het nuttige effect dat wij veel meer nationaal werken dan vroeger. Vroeger waren er 27 parketten naast mekaar. Met hetgeen wij nu zien, bestaat het gevaar en dat is zo in de realiteit, dat er een concurrentie ontstaat tussen het betere parket en de lokale parketten. Het is dus eigenlijk het herschrijven van het politieverhaal. Omgaan met termijnen en verjaringen is één voorbeeld. Een ander voorbeeld, meer pijnlijk, is het DHKP-C-proces. Ik heb het geluk gehad om heel het arrest even te kunnen nalezen. Het is zeer interessant om te zien hoe het woordgebruik is dat de ene – ik zou bijna zeggen magistraat, een raadsheer is een magistraat, maar een procureur is dat niet – speler in het gerecht ten opzichte van de andere gebruikt. Dat is een zeer interessant document. Er stond op: “Vertrouwelijk, alleen voor de pers”, wat ik niet helemaal begrijp. Ik heb toch een documentje gekregen, want er is niets vertrouwelijk aan. Daar ziet men de illustratie van het verzamelen van bewijzen. De straatpolitie destijds, lokale politie en gerechtelijke politie, had een paar technieken. De rijkswacht had er andere. Nu ziet men bij de analyse van de bewijzen in dit proces dat het federaal parket de klassieke technieken van bewijsvoering niet hoeft te volgen. Ze staan daarboven. Zij doen dat anders. De rechters of raadsheren zetten op dat vlak het parket terug met beide voeten op de grond. Iets dat men beweert, moet men nog steeds bewijzen. Het is niet voldoende om te zeggen dat het internationaal geweten is. Neen, men moet in België nog steeds bewijzen hebben als men iets wil ten laste leggen, wat elke normale procureur in een normaal parket evident vindt. Hetzelfde geldt voor het derde dossier, waarover men zich dan ook een beetje zorgen begint te maken, namelijk de rol van het federaal parket, niet alleen in het aanduiden van grote terroristen in ons land, maar ook in het zeggen of er terreuralarm is of niet. Ook daar is er een groeiende twijfel over hoe ernstig wij dit moeten nemen. Is dit voldoende ingeschat of is dit ingeschat zoals men in het DHKP-Cgebeuren de inschattingen heeft gemaakt? Ik kom tot mijn specifieke vragen. Mijnheer de minister, voor het verhaal van de verjaring begrijp ik dat u misschien liever zult wachten tot na 29 februari, tot nadat de raadkamer definitief heeft vastgesteld dat het een en ander verjaard is. Structureel kan ik reeds de vraag stellen of het minstens juist is wat wij in de krant van 2 februari hebben gelezen. Als dat waar is, als het juist is wat wij daar hebben gelezen, welke lessen meent u hier samen met ons te moeten trekken, mijnheer de minister? Als dat waar is, is er hier sprake van strategie? Die teneur zat ook een beetje in het artikel. Of zijn het echt fouten? Mijnheer de minister, weet u hoeveel zaken er hangend zijn bij het federaal parket? Hebben ze daar een overzicht van of kan de fout, als het een fout is, nog gebeuren? Wordt het aantal zaken en hun looptijd op het federaal parket enigszins bijgehouden? Wat mijn twee andere aanleidingen betreft, heb ik vier vragen. Ten eerste, in de krant van zaterdag 9 februari 2008 stond aangekondigd dat er een evaluatie ging gebeuren van het federaal parket. Die zaterdagmiddag werd dat op de Nederlandstalige radio uur na uur herhaald, maar het woord “evaluatie” mocht daarbij niet worden gebruikt. Wat is er op 9 februari 2008 op uw kabinet gebeurd, toen u even de tijd vond om u te buigen over het federaal parket? Ten tweede, hebt u eigenlijk een boodschap aan het arrest van 7 februari 2008 van het hof van beroep van Antwerpen? Ten derde, u deelde de mening van de Vereniging van Vlaamse balies inzake de voorhechtenis. Deelt u ook de mening van de Vereniging van Vlaamse balies dat het federaal parket overdrijft inzake het terreuralarm, wat zij bij momenten herhalen? Ten vierde, zult u inzake het federaal parket alles bij het oude laten? Minister Jo Vandeurzen: Ik zou nog twee bedenkingen willen formuleren omdat ze aansluiten bij een aantal bezorgdheden waarvan ik kan aangeven dat ik er deels in meega. Als een zaak verjaart, is dat voor de rechtsgang altijd een nederlaag. De rechter moet zich kunnen uitspreken en het feit dat men moet vaststellen dat dit in dergelijke situaties niet kan, is absoluut te betreuren. Men moet ervoor zorgen dat men in de organisatie een systeem heeft waarbij men registreert en opvolgt om dergelijke toestanden te voorkomen Dat behoort tot de essentiële elementen van goed bestuur en van organisatie van de dienst. Nogmaals, dat is momenteel in het federaal parket wel op punt gesteld. Ten tweede ga ik even in op de opmerking van collega Landuyt met wie ik in de commissie-Dutroux dit soort integratie van organisaties heb besproken. Wij hebben toen, op het vlak van de politie, inderdaad voor een en ander geopteerd. Het ene is uiteraard niet zomaar te vergelijken met het andere, maar het is voor mij wel duidelijk dat we in de Octopusakkoorden, ten eerste ervoor hadden geopteerd om de politie een nieuwe blauwdruk te geven die concreet was uitgewerkt, zelfs in het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie. Daarvoor hebben we vrij snel de eerste wetten opgesteld. Ik herinner me de Octopusdiscussies nog. Ten tweede was in het Octopusoverleg, dat over de grenzen heen van meerderheid en oppositie was georganiseerd, eigenlijk opgenomen dat men in een tweede fase ook een debat zou voeren over de organisatie van het openbaar ministerie. In 1999 is dan gebeurd wat er is gebeurd. Het debat over de hervorming van het openbaar ministerie is eigenlijk blijven steken in een relatief bescheiden wetsontwerp over de vertikalisering. Laten we zeggen dat dit eigenlijk niet datgene was wat in onze hoofden aanwezig was toen we het Octopusakkoord hebben ondertekend. Ik heb onlangs het College van procureurs-generaal gezien. Ik stel vast dat men daar vragende partij is voor een debat over de organisatie, de finaliteit, enzovoort. Ik stel vast dat men zelf al een mission statement heeft gemaakt en dat men probeert kwaliteitsparameters te ontwikkelen. Ik stel vast dat het openbaar ministerie de eerste is geweest om de werklastmeting operationeel te maken. Ik ontmoet daar dus een partner die vragende partij is om na te gaan hoe dat in de toekomst moet evolueren. Dat is nu niet aan de orde. Mijn aanvoelen is echter dat de vraag hoe dit moet worden georganiseerd wel aan de orde zal zijn zodra de politieke situatie stabieler zal zijn. Daarmee insinueer ik niet dat ik de revolutie wil organiseren, verre van. Het debat over een openbaar ministerie in het algemeen dat is gewapend voor de realiteit van vandaag, is een debat dat we zullen moeten voeren. Daarmee insinueer ik evenmin dat ik het met uw punctuele analyse van de verhouding van het federaal parket eens of oneens zou zijn. We zullen ooit in alle rust de tijd moeten nemen om de taak van het openbaar ministerie te analyseren en te bespreken en alle discussies te voeren die daaruit voortvloeien, zoals over het operationele aspect, de kwaliteit van de manier van werken of de interne communicatie. Ik meen dat wij dat zullen moeten doen en dat dit in de loop van de volgende jaren in dit Parlement aan de orde zal moeten komen. |
Vraag van de heer Renaat Landuyt aan de minister van Justitie over "het beleid inzake voorhechtenis" (nr. 1902). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, ik vind u sympathiek. Dit gezegd zijnde, denk ik dat het ook goed is de aanleiding voor mijn vraag over het beleid inzake voorhechtenis te schetsen. Er is vorige week, of de week voordien, een mooie, opvallende actie gevoerd door de Orde van Vlaamse Balies inzake het oneigenlijk en te frequent gebruik van de voorhechtenis. Tot mijn verwondering kwam daar, in tegenstelling tot vroeger, geen reactie op van de kant van het ministerie of de minister van Justitie. Meestal wordt de minister van Justitie dan een beetje opgewarmd door een of ander lid van zijn kabinet die ook behoort tot het parket om daarop te reageren. Dit is niet gebeurd, wat geen slecht teken hoeft te zijn want het kan erop wijzen dat de minister principieel akkoord gaat met de geleverde kritiek. In ieder geval was er wel enige zenuwachtigheid bij een mij minder gekende vereniging, de Vereniging van Onderzoeksrechters. Zij hebben zelf gereageerd op een voor magistraten snelle wijze, met name op vrijdag. Zij ontkenden de kritiek en zeiden dat de voorhechtenis correct wordt gehanteerd. De situatie kennen wij wellicht met zijn allen en u wellicht nog veel beter dan iedereen hier aanwezig, gelet op het feit dat u over dagelijkse cijfers beschikt. Het is in ieder geval zo dat de personen in voorhechtenis, mensen die nog niet officieel werden veroordeeld, ongeveer 40 à 50% uitmaken van de gevangenisbevolking. Dit kan logisch zijn want er zijn ook wel problemen met mensen die hier geen verblijfplaats hebben en hier langs komen om inbraken te plegen, en dergelijke meer. Ik begrijp dit. Wij stellen ook dagelijks vast op de rechtbanken dat ter zake een noodzaak bestaat. Er zijn ook andere feiten die bij momenten even in de aandacht komen en die toch wijzen op een andere vorm van gebruik van de voorhechtenis. Ik wil u een anekdote geven omwille van de bekendheid van de zaak. Lang geleden, namelijk kort voor de verkiezingen van 2007 en voorafgaand aan de lopende onderhandelingen, was er in Kortrijk een zaak in verband met dopinggebruik door wielrenners. De zaak haalde terecht het nationale nieuws. Zij gaat over het uitwisselen van dopingmiddelen bij liefhebbersgroepen. De zaak is dus niet zo belangrijk dan oorspronkelijk werd gedacht. Wat echter opviel in de zaak en als anekdote kan tellen, is dat het gerecht het op dat moment nodig achtte om een paar mensen in voorhechtenis te nemen. Het ging om een secretaris van een liefhebbersvereniging en om een voormalige renner. Er kwam een officiële verklaring van de procureur des Konings, in antwoord op de vraag naar de timing van bedoelde zaak. De aanhoudingen kwamen er immers kort voor de verkiezingen en konden ook worden gebruikt in het kader van de verkiezingen, wat ten andere ook gebeurde. De procureur gaf op dat moment als verklaring voor de timing dat de onderzoekers de week nadien op studie moesten, de week erna dus geen tijd zouden hebben om het onderzoek te voeren – dat werd officieel verklaard – en daarom een week vroeger de kwestieuze onderzoeksdaden hadden gesteld. Met het voornoemde wil ik enkel wijzen op het nut en de hoogdringendheid van het bezetten van een paar gevangenisplaatsen, op een moment dat er meer dan 10.000 gevangenen voor 8.300 plaatsen waren. Op datzelfde moment achtte het gerecht het nodig om een drietal personen, die al lang bezig waren met een klein beetje al dan niet met doping te foefelen, op te pakken en in voorhechtenis te nemen. Ik hanteer liever voornoemd voorbeeld dan het voorbeeld dat de Orde van Vlaamse Balies had gekozen. Zij had het immers over personen uit het financiële milieu, die ook bij momenten als gevaarlijk worden aanzien en dan in voorhechtenis worden genomen. Er is een stelling die zelfs door de federale procureur van ons federaal parket, die steeds beroemder wordt, werd geuit. Hij stelde dat, indien de wetgever de voorwaarden van de voorhechtenis dermate verstrengt, strafonderzoeken nooit meer door bekentenissen kunnen worden vooruitgeholpen. Er is een algemeen aanvoelen dat het gerecht de voorhechtenis indien niet als een onderwatertechniek dan toch als een techniek gebruikt om al dan niet tot bekentenissen te komen. Er zijn zelfs gevallen van mensen die na een paar maanden meer vertellen dan dat zij ooit hadden moeten vertellen, zijnde de echte waarheid die zij geven, eens zij opnieuw op hun positieven zijn. Er zijn cijfers die erop wijzen dat de voorhechtenis wellicht oneigenlijk wordt gebruikt. Iedereen die bezorgd is voor de veiligheid van het land en het goede gebruik van de beschikbare plaatsen in onze gevangenissen zou zich zorgen moeten maken. Er zitten mensen in de gevangenis die er eigenlijk niet echt thuishoren. Een deel van het probleem heeft te maken met de voorhechtenis, gelet op het feit dat 40% of 50% van de mensen in voorhechtenis zitten. De vorige regering – ik heb dat een klein beetje kunnen volgen – heeft geprobeerd daar een en ander aan te doen. Nu zijn er twee lopende beslissingen die ik in mijn vraag even wil voorleggen. Enerzijds, hebben wij destijds beslist, met het Parlement, in een wet van december 2006 inzake diverse bepalingen, het maatschappelijk onderzoek voorafgaand aan het vrijlaten van mensen in voorhechtenis te versnellen. Dat staat in de wet van 28 december 2006, meen ik. Daar hebben wij de specifieke mogelijkheid ingeschreven – eigenlijk een beetje een aanporren van de diensten om daar vlugger mee om te gaan – dat mensen die in voorhechtenis zitten in afwachting van een maatschappelijk verslag soms vroegtijdig vrijgelaten zouden kunnen worden. Die wet zou voor een versnelling hebben moeten zorgen. Na een jaar vraag ik u naar de evaluatie ter zake. Anderzijds, was er een tweede beslissing die werd genomen door de minister van Justitie, om samen met de regering een evaluatie te maken van de tendens inzake de voorhechtenis. Met respect voor de rechterlijke macht en de individuele beslissingen werd beslist een vorm van uitwisseling te doen van de cijfers. De bedoeling was dat de voorzitters van de rechtbanken in het midden van de maand een overzicht gaven van de lopende voorhechtenissen in hun rechtsgebied. Dan zou een uitwisseling van de evolutie in andere streken volgen. In ieder geval: een poging om de rechters en procureurs bewust te maken voor de feitelijke situatie van de gevangenissen, en er voorzichtig op wijzen dat men de techniek van de gevangenis handig moet gebruiken. Nogmaals, in het licht van een grotere veiligheid in het land is het belangrijk dat wij de gevangenis gebruiken om vooral gevaarlijke mensen binnen te houden. In ieder geval werd beslist dat aan alle voorzitters van rechtbanken van eerste aanleg en van hoven van beroep, evenals de dekenen van de onderzoeksrechters, elke 23ste van de maand door de administratie Justitie een lijst van voorhechtenissen zou worden toegezonden, samen met de tabel van de dagelijkse gevangenisbevolking. Steunend op iets waarover ik mij altijd zorgen heb gemaakt, namelijk het feit dat op de rechtbanken zowel de procureur als de rechter blind zijn voor de uitvoeringsmogelijkheden. Ik vind dat dit een element van evaluatie van betrokkenheid zou moeten zijn. Dit systeem werd destijds, meer dan een jaar geleden, afgesproken. Hoe zit het met dit uitwisselingssysteem dat uw administratie bekend zou moeten zijn? Mijn vier vragen zijn dus de volgende. Ten eerste, hoe moet ik uw stilzwijgen interpreteren? Bent u akkoord met de Orde van Vlaamse Balies of bent u akkoord met de Vereniging van de Onderzoeksrechters? Ten tweede, worden de maatschappelijke onderzoeken nu vlugger gevoerd dan voor de wet van 28 december 2006? Ten derde, wordt het aantal voorhechtenissen elke maand opgelijst en doorgestuurd aan alle betrokkenen? Ten vierde, hoe zit het nu met de cijfers op vandaag? Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Ik ben hier al heel de voormiddag aan het luisteren naar iedereen. Het is mijn politieke gevoeligheid dat men in een democratie beter de mensen laat uitspreken. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, ik zou graag heel vlug repliceren, voordat mijn collega Laeremans terug is. Mijnheer de minister, ik noteer drie puntjes. Ten eerste, samen met mij juicht u de actie van de Orde van Vlaamse balies naar een efficiënt optreden van politie en parket, ook de rechten van de mensen niet uit het oog mogen verliezen. Ik denk dat de Orde van Vlaamse Balies zich voor het eerst zeer maatschappelijk heeft geuit in dezen. Ik hoop dat u die papieren zak nooit nodig zult hebben (…). Ten tweede denk ik dat de overlegstructuren die voorzien zijn om een uitwisseling te doen inzake informatie rond de feitelijke situatie binnen de gevangenissen en de beoordeling van individuele strafdossiers, echt in theorie nu een doorbraak zijn in het denken. Ik hoop dat u er nauwgezet op toeziet dat die overlegstructuren er effectief komen, want het gaat werkelijk om het voor een stuk doorbreken van een vorm van wereldvreemdheid op de rechtbanken, omdat de procureurs te weinig woordvoerder zijn, ook, van het feit van de mogelijkheden die men heeft inzake strafuitvoering en ook om preventief op te treden. Ik denk dat het essentieel is dat daar een soort van uitwisseling gebeurt. Er zijn gevangenisdirecteurs die dagelijks naar de plaatselijke rechtbanken een fax sturen, waarin staat, als men zin zou hebben om mensen aan te houden, hoeveel plaatsen er die dag zijn. Dat is eerder in omgekeerde zin bedoeld, namelijk "ik heb slechts zo veel plaatsen". Op het terrein zijn er dus praktische neigingen en initiatieven gaande. Het is veel beter dat wij een en ander voor een stuk kunnen coördineren. Dat brengt mij tot het derde punt. Terloops even, de rondzendbrief inzake de voorlopige hechtenis is eigenlijk een voorbeeld van een klassieke rondzendbrief. Het is met name een cursus waarin de juridische termen nog eens uitgelegd staan, maar waarin er veel te weinig – in de rondzendbrieven van het parket – echt operationele richtlijnen staan. Op dat vlak zou er ook een stuk meer praktisch gewerkt moeten kunnen worden. Ik ga ermee akkoord dat wij de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de individuele dossiers moeten respecteren, maar dat betekent niet dat we blind moeten zijn voor de maatschappelijke mogelijkheden die een overheid heeft. Ik hoop dat u er vooral op toeziet dat die structuren effectief in werking kunnen geraken. |
Interpellatie van de heer Renaat Landuyt tot de vice-eerste minister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "het masterplan gevangenissen 2008-2012" (nr. 50). In opbouw |
Interpellatie van de heer Renaat Landuyt tot de minister van Justitie over "de werking van de Staatsveiligheid, meer in bijzonder inzake de samenwerking met de federale regering, het OCAD en met informanten" (nr. 38). In opbouw |
Interpellatie van de heer Renaat Landuyt tot de minister van Justitie over "vraag aan de Hoge Raad van Justitie om te helpen bij het niet uitvoeren van een wet" (nr. 31). Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb gekozen voor een interpellatie omdat wat hier voorhanden ligt relatief ernstig is en ernstiger zal worden in de toekomst. Ik verklaar mij nader. Ik weet dat u een tegenstander bent, wellicht niet alleen, van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding. Wat u nu doet, met name het niet-uitvoeren van een wet die bestaat, brengt met zich mee dat men principieel geschokt zou kunnen zijn dat een minister van Justitie de Grondwet en de wet aan zijn laars lapt. Er is echter nog iets ergers aan de hand. Alle benoemingen van personen die via een gerechtelijke stage rechter of procureur wensen te worden, brengt u in gevaar. Nog erger, u brengt ieder gerechtelijk onderzoek in gevaar, omdat een onderzoeksrechter niet meer kan voldoen aan de wettelijke voorwaarden om geldig te functioneren. Ik verklaar mij nader. Wat is het wettelijk kader? Artikel 151 van de Grondwet hebben wij samen gemaakt, na beroering in een groot gerechtelijk dossier. Het was de bedoeling een onafhankelijk gerechtelijk orgaan te hebben, dat niet behoort tot de uitvoerende, de rechterlijke of de wetgevende macht. De Hoge Raad moest niet alleen toezien op goede benoemingen en de vorming van de rechters, maar op het hele systeem. Men kan ertegen zijn, maar in artikel 151 van de Grondwet staat dat de bevoegdheid inzake de vorming van rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie – een beetje tegen de logica van ons institutioneel systeem – niet behoort tot de Gemeenschappen van het land, maar tot de federale overheid. Dat is het principe. U kunt daartegen zijn, samen met mij, maar dat staat vandaag in artikel 151, §3, 6de, van de Grondwet. Er staat echter ook uitdrukkelijk in de Grondwet – thans kom ik dichter bij de wet – dat de Hoge Raad deze bevoegdheid conform de wet zal uitoefenen. Die wet is de wet die u niet aangenaam vindt, met name de wet van 31 januari 2007, die volledig van kracht is sedert 2 februari 2008. Volgens die wet moet de Hoge Raad in zijn bevoegdheid van vorming van rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie richtlijnen geven aan een instituut. In diezelfde wet staan ook de aanpassing van de benoemingsvoorwaarden van rechters en procureurs en de aanpassing van de geldigheidsvoorwaarden voor het functioneren van onderzoeksrechters. Dat past allemaal in dezelfde logica van kwaliteitsverbetering van de magistratuur, gelinkt aan opleidingen door het instituut. Dat instituut wenst u niet op te richten omdat u van oordeel bent dat de Gemeenschappen in ons land verantwoordelijk zijn voor opleiding. Ik vind dat ook. Maar, wij hebben ons destijds moeten neerleggen bij de consensus. Dat was de tijd dat er nog consensus was. Wij hebben artikel 153 goedgekeurd waar uitdrukkelijk in staat dat het grondwettelijk de Hoge Raad is die de bevoegdheid heeft, wat eigenlijk een erkenning is, tegen de logica in van de rest van onze instituten, dat dit stuk vorming nog bij de federale overheid zit. Ik veronderstel dus – maar ik weet niet zeker of het voor herziening vatbaar is – dat artikel 151 ons nog parten kan spelen. Maar dat is niet mijn punt. Mijn punt is nu dat wij een wettelijk systeem hebben uitgewerkt ter uitvoering van dat artikel 153 en dat de minister van Justitie heeft meegedeeld aan de Hoge Raad voor de Justitie dat hij die wet niet gaat uitvoeren en dat in afwachting iedereen moet doen wat hij aan het doen was. De Hoge Raad vond dat vervelend en heeft een relatief diplomatische brief aan het Parlement geschreven om te zeggen: wij weten wel dat wij budgettair een stuk van jullie afhangen, van de wetgevende macht, maar de minister heeft ons dat gevraagd, dus wij gaan dat doen tot 23 maart, in het raam van – een nieuwe grondwettelijke term – de interim-regering die tot 23 maart regeert. Erger nog, het hoofd van de benoemingscommissie binnen de Hoge Raad – een Franstalige confrater wiens naam mij nu ontsnapt – stelde heel uitdrukkelijk in de hoorzitting – daar bestaan bandopnames van – dat de minister van Justitie hem had gezegd dat er een oranje-blauw akkoord was om die wet niet uit te voeren. Ik meende dat de interimregering niet echt oranje-blauw was, maar die mens zei in goede trouw dat de minister om te verantwoorden wat men deed – en dat heeft hij inderdaad geantwoord aan zijn partijgenoot in de Senaat – zich steunde op de continuïteit van de openbare dienst. Dat is natuurlijk iets heel eigenaardigs, die continuïteit van de openbare dienst, voor iemand die zegt: ik wil de wet niet uitvoeren, dus steun ik mij op die continuïteit om te doen wat ik wil. Het is niet daarom dat die theorie in de praktijk werd omgezet. Het gaat erom dat als een probleem rijst omdat een instelling nog niet echt bestaat er voorlopig iets kan gebeuren. Maar hier zegt de minister uitdrukkelijk: ik wil het niet doen, dus doen wij het anders, en wel omdat er anders niets is. Hij zegt letterlijk: ik stel vast dat de wet niet wordt uitgevoerd. Anders gezegd: hij stelt vast dat hij zelf de wet niet uitvoert. Dus, zegt hij, gaan wij het anders doen. Ik vind dat verregaand voor een minister van Justitie. Ik herhaal: lees het Gerechtelijk Wetboek na op de benoemingsvoorwaarden voor rechters en procureurs. U zit wel echt met een probleem, mijnheer de minister. U kunt geen enkele geldige benoeming doen. Meer zelfs, geen enkele onderzoeksrechter kan op termijn voldoen aan de voorwaarden voor zijn functioneren. Indien u het niet gelooft, wil ik u de artikelen in het Gerechtelijk Wetboek aanwijzen die het voornoemde bepalen. U brengt dus het hele systeem en de gerechtelijke onderzoeken in gevaar door uw politieke koppigheid, die u tijdens onderhandelingen misschien kan sieren. In uw hoedanigheid van minister van Justitie wordt voornoemde koppigheid echter vervelend, wanneer u de Grondwet en de wet gewoon aan uw laars lapt. Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw de voorzitter, het is uiteraard niet mijn bedoeling om in mijn functie van minister van Justitie de wet niet uit te voeren. Het is duidelijk dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen wat politieke partijen onderhandelen in het kader van een regeerakkoord en wat de minister van Justitie moet uitvoeren. In deze kwestie is het – denk ik – echter heel duidelijk dat het mijn voornaamste prioriteit is geweest om de continuïteit van de opleiding te garanderen. Het instituut is niet operationeel. Bovendien heeft het geen middelen. Het artikel 38 van de wet van 2007 is niet in werking, wat hier ten onrechte is gesuggereerd. Dat artikel is niet in werking getreden, waardoor het instituut ook niet over alle budgettaire middelen beschikt. Ik heb bovendien moeten vaststellen dat de wetenschappelijke raad niet is samengesteld en dat een heleboel zaken niet operationeel zijn. Met name als het over het budget gaat, is het duidelijk dat het budget moet worden samengesteld uit de budgetten die thans aan opleiding worden besteed. In het budget voor de Hoge Raad voor de Justitie zit inderdaad ook een deel van de middelen die moeten worden gehergroepeerd binnen het budget dat voor de opleiding in het instituut moet beschikbaar zijn. Bovendien heeft een voorstel tot samenwerkingsprotocol, waarmee het instituut van start zou kunnen gaan, een negatief advies gekregen van de inspecteur van Financiën. Met al die elementen voor ogen betekent dit dat het noodzakelijk is om de continuïteit van de vorming van de magistraten en van de gerechtelijke stagiairs enerzijds en van het personeel van de griffies en de parketten anderzijds te verzekeren. Daarom heb ik een aantal schikkingen getroffen om binnen het departement hiertoe de nodige ondersteuning te voorzien. Daarom ook is in dit kader aan de Hoge Raad voor Justitie gevraagd om de voorbereidingen van de opleiding voor magistraten en gerechtelijke stagiairs voort te zetten. Dat tast uiteraard de onafhankelijkheid van de Hoge Raad voor Justitie niet aan, want in de Grondwet staat uiteraard dat de Hoge Raad voor Justitie bevoegdheden uitoefent, onder meer in de materies vorming van de rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie. Het is natuurlijk evident dat die situatie niet kan blijven duren en dat we snel in een duidelijke situatie moeten terechtkomen. Ik wil op de eerste plaats de continuïteit van de opleiding waarborgen. Het Instituut is nog niet operationeel. Artikel 38 van de wet is in 2007 niet in werking getreden, waardoor het Instituut nog niet over alle budgettaire middelen beschikt. Om de continuïteit van de opleiding te waarborgen, heb ik een aantal maatregelen getroffen om daartoe binnen het departement over de nodige steun te kunnen beschikken. In die context werd er aan de Hoge Raad voor de Justitie gevraagd de voorbereiding van de opleidingen voor de magistraten en de gerechtelijk stagiairs voort te zetten. De Grondwet bepaalt duidelijk dat de Hoge Raad voor de Justitie zijn bevoegdheden onder meer uitoefent in de vorming van de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie. Ik heb dus enkel gevraagd dat de Hoge Raad voor de Justitie zijn opdracht zou blijven uitoefenen, zoals vermeld in de Grondwet. Het feit dat de Raad die taak blijft uitoefenen, is dus niet in strijd met de wet. Die toestand kan evenwel niet blijven duren. Het is hoog tijd dat we weten hoe de wet zal worden gewijzigd en toegepast. Tijdens de oranje-blauwe onderhandelingen was men tot een akkoord gekomen over een wetswijziging teneinde de samenwerking met de Gemeenschappen vlotter te laten verlopen. Het is niet mijn bedoeling om een nieuw groot debat te openen, maar om de continuïteit voor de komende weken te waarborgen. Ik stel vast dat het Instituut niet operationeel is, dat de Inspectie van Financiën een negatief advies heeft verstrekt en dat de nodige kredieten ontbreken. Het zal enige tijd vergen om tot een gefundeerde vaststelling van de begrotingsmiddelen te komen. We zullen ook moeten zien of de nieuwe regering binnen twee weken bereid zal zijn de wet aan te passen. Daarom heb ik gezegd dat men de opleidingen alvast moet voorbereiden. Er mag geen tijd verloren gaan. Ik moet de middelen bijeenbrengen en ik probeer te kijken hoe hierover in de volgende weken een consensus kan worden bereikt. Enerzijds kan ik alleen maar bevestigen dat bepaalde kritische vragen dat het zo niet kan blijven duren, evidente en juiste vragen zijn. Wij moeten snel duidelijkheid hebben. Anderzijds kan ik niet voorbij aan de realiteit dat op het ogenblik dat volgens de wet het instituut moest starten dat instituut niet in staat was zijn taken waar te nemen. Ik kan mij niet permitteren dat de opleiding van magistraten, griffiepersoneel en parketpersoneel vertraging oploopt. Het is dus mijn standpunt geweest dat wij moesten gaan voor de continuïteit van de dienst. Wij gaan die middelen hergroeperen, zoals trouwens in het raam van de budgetopmaak is besproken. Dat vraagt overleg met meerdere partners die een deel van dat budget op dit moment beheren. Wij zullen onderzoeken of er in de korte tijd die ons nog rest tot de nieuwe regering, een politieke consensus is die aangeeft op welke manier het instituut zijn taken zal vervullen. Bij gebrek daaraan zal ik uiteraard logischerwijze de samenstelling van het budget en de organisatie van de opleidingen consequent volgens de wet uitbouwen. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, ik heb nog een korte repliek. Ik meen dat u als minister van Justitie zeker verplicht bent een onderscheid te maken tussen uw eigen opvatting en het bestaan van de rechtstaat met Grondwet en wetgeving. Dat is mijn punt. U kan tegen die wet zijn. Als u vindt dat u die niet moet uitvoeren, moet u heel vlug een wetje maken dat zegt dat de uitvoering opgeschort wordt. In ieder geval, u bent de hoeder van de rechtsstaat. Maar u zegt: er is geen uitvoering, er is geen budget. Nochtans, de budgetdiscussie is pas geweest. U had de volle bevoegdheid om het budget te bespreken. Met andere woorden: u hebt niet gedaan wat u moest doen en nu roept u de continuïteit van de openbare dienst in om het anders te doen. Continuïteit van de openbare dienst als theorie, toegepast in de rechtspraktijk, betekent dat de omstandigheden buiten de wil van dienst waren die in de continuïteit wil voorzien en buiten de wil van de verantwoordelijken. Hier gaat het over de onwil. Die kan terecht zijn als gevolg van een opvatting. U speelt evenwel met wetten. Dat is zeer gevaarlijk, ik herhaal het. Diezelfde wet heeft het Gerechtelijk Wetboek aangepast inzake benoemingen en inzake de functioneringsvoorwaarden van onderzoeksrechters. Ik beloof u dat u problemen zult krijgen met het gerechtelijk onderzoek doordat u een wet niet uitvoert, maar die ondertussen wel bestaat. Het gaat om materies die behandeld worden in rechtbanken. Er zullen rechters van wie de geldigheid van de benoeming betwist zal worden. Er zullen onderzoeken zijn waarbij de geldigheid van het functioneren van de onderzoeksrechter zal worden betwist. Dat zal zo zijn omdat u koppig weigert als minister van Justitie, als behoeder van de wetgeving, om simpelweg de wet uit te voeren. Daarom dien ik een motie in en vraag ik dat het Parlement u dwingt om de wet en de Grondwet te respecteren als minister van Justitie. Renaat Landuyt (sp.a-spirit): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, met alle begrip voor de geïllustreerde situatie denk ik dat men moet oppassen. Ik nodig u uit om artikel 259ter en volgende van het Gerechtelijk Wetboek zoals aangepast even rustig te lezen. De theorie van de continuïteit van de openbare dienst is iets wat is binnengekomen in het administratief recht voor de taken van de uitvoerende macht. Ik herhaal dat u hier een probleem hebt met de wet die u niet toepast maar die ondertussen wel van kracht is en wat zich zal wreken in gerechtelijke dossiers en bij betwistingen van benoemingen. Hoe los je dat op? Heel eenvoudig, mijnheer de minister. U stelt een wetsontwerp met een artikel op, zeggende dat deze wet niet van kracht is tot uw probleem opgelost is. Zo lang u dat niet hebt, voorspel ik u – het gaat hier over de gerechtelijke wereld – dat u problemen zult kennen als u dit niet doet.
|